Belastingplan 2027 en loonheffingen: aandachtspunten voor de publieke sector

Het pakket Belastingplan 2027 bevat verschillende voorstellen die gevolgen hebben voor arbeidsvoorwaarden, mobiliteit, loonadministratie en uitvoeringsprocessen binnen publieke organisaties. Aanvullende, relevante uitvoeringsregels zijn te vinden in de concept-Eindejaarsregeling 2026 en de Nieuwsbrief Loonheffingen 2027. Omdat de parlementaire behandeling en de nadere uitwerking nog lopen, kunnen bedragen, percentages en voorwaarden nog wijzigen. Dit artikel zet de belangrijkste ontwikkelingen op een rij en vertaalt deze naar concrete aandachtspunten voor beleid, uitvoering en interne beheersing binnen de publieke sector.

Inhoud

  • Belastingtarieven en heffingskortingen
  • Onbelaste kilometervergoeding van € 0,25 per kilometer
  • Pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s
  • Opting-in en de verklaring pseudo-werknemer
  • Aof-premie en maximumpremieloon
  • Expatregeling vanaf 1 januari 2027
  • Verruiming van de vrije ruimte in de WKR
  • Zelfstandigenwet en arbeidsrechtelijk rechtsvermoeden
  • Hogere RVU-eindheffing
  • Maximum pensioengevend inkomen
  • Samenvoegen van loon bij gelijktijdige betaling van een socialezekerheidsuitkering
  • Bufferbudget Participatiewet

Let op: dit artikel is gebaseerd op de op dit moment beschikbare voorstellen en conceptregelingen. Controleer daarom vóór besluitvorming en implementatie altijd de definitieve wet- en regelgeving.

1. Belastingtarieven en heffingskortingen

Het stelsel van de loon- en inkomstenbelasting blijft in 2027 bestaan uit drie schijven, maar de tarieven in de eerste en tweede schijf stijgen volgens het voorstel. De wijziging werkt direct door in de loonheffing en daarmee in het nettoloon van medewerkers.

Belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd
Voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd bedraagt de voorgestelde maximale algemene heffingskorting in 2027 € 3.154, met een afbouw die begint bij een verzamelinkomen van € 30.910. De maximale arbeidskorting bedraagt € 5.929 en wordt afgebouwd vanaf een arbeidsinkomen van € 47.834. Publieke werkgevers doen er goed aan de definitieve bedragen tijdig te verwerken in de salarissoftware en mee te nemen in de communicatie over nettoloonmutaties.

Tarieven 2027 inclusief premies volksverzekeringen
Schijf Van Tot Tarief 2027
1 € 0 € 39.247 36,23%
2 € 39.247 € 78.426 38,16%
3 € 78.426 49,50%

 

2. Onbelaste kilometervergoeding

Sinds 1 januari 2026 kunnen werkgevers zakelijke kilometers en woon-werkverkeer gericht vrijgesteld vergoeden tot maximaal € 0,25 per kilometer, tegenover € 0,23 daarvoor. De verhoging biedt ruimte voor een hogere onbelaste vergoeding, maar schept niet automatisch een arbeidsvoorwaardelijk recht voor medewerkers.

Aandachtspunten voor de publieke sector
Beoordeel per organisatie welke cao, rechtspositieregeling, declaratieregeling en afspraken over individuele keuzebudgetten van toepassing zijn, en leg vast of, wanneer en voor welke reisbewegingen het hogere bedrag wordt ingevoerd. Stem beleid, salarisverwerking en communicatie op elkaar af, en maak medewerkers duidelijk dat het fiscale maximum kan afwijken van de vergoeding waarop zij arbeidsvoorwaardelijk aanspraak hebben. Let op: de terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verandert op zichzelf niets aan de mogelijkheden voor uitruil via een individueel keuzebudget.

3. Pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s

De voorgestelde pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s is een aanvullende werkgeversheffing naast de reguliere bijtelling bij de werknemer. De heffing kan verschuldigd zijn zodra een fossiele personenauto mede voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteld, waarbij woon-werkverkeer hiervoor deze regeling geldt. De precieze afbakening daarvan moet nog nader worden vastgesteld; voorgesteld is hierbij aan te sluiten bij de omzetbelasting.

Werking van de pseudo-eindheffing
De pseudo-eindheffing komt volledig voor rekening van de werkgever en mag niet op de werknemer worden verhaald: voor een fossiele personenauto die mede privé ter beschikking staat, bedraagt zij 12% van de cataloguswaarde per jaar. De heffing staat los van de reguliere bijtelling – de werknemer blijft belasting verschuldigd over het privégebruik, terwijl de werkgever daarnaast de pseudo-eindheffing afdraagt.

Omdat ook woon-werkverkeer als privégebruik geldt, kan de regeling een bredere groep voertuigen raken dan uitsluitend auto’s met regulier privégebruik, wat vraagt om een beoordeling van zowel leaseauto’s als dienstauto’s, deelauto’s en voertuigen voor piket- of bereikbaarheidsdiensten.

Voorbeeld
Bij een cataloguswaarde van € 40.000 bedraagt de pseudo-eindheffing € 4.800 per jaar. De eventuele bijtelling bij de werknemer blijft daarnaast van toepassing.

Aangekondigde uitzonderingen en overgangsrecht
Voor tijdelijk vervangend vervoer is een versoepeling aangekondigd: een fossiele leen- of vervangende auto leidt niet direct tot pseudo-eindheffing, zolang deze per inzet maximaal vier aaneengesloten weken beschikbaar wordt gesteld, bijvoorbeeld tijdens onderhoud of herstel van een elektrische auto. Bij een langere inzet kan de heffing alsnog zijn verschuldigd, dus moeten begin- en einddata per medewerker en voertuig zorgvuldig worden geregistreerd. Let op: opeenvolgende korte perioden mogen niet feitelijk één doorlopende terbeschikkingstelling vormen.

Voor fossiele personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 door dezelfde werkgever ter beschikking zijn gesteld, geldt aangekondigd overgangsrecht tot en met 31 december 2030. Daarnaast worden nadere uitzonderingen voorbereid – onder meer voor lesauto’s – en een anticumulatieregeling om dubbele heffing bij meerdere betrokken werkgevers te voorkomen.

Aandachtspunten voor de publieke sector
Inventariseer vóór 2027 welke fossiele personenauto’s binnen het wagenpark en de leasepopulatie onder de regeling kunnen vallen, bereken de mogelijke jaarlast en betrek daarbij ook dienstauto’s, deelauto’s, voertuigen voor bereikbaarheidsdiensten en auto’s die uitsluitend voor woon-werkverkeer worden gebruikt. Gebruik de inventarisatie vervolgens bij het herijken van mobiliteitsbeleid, aanbestedingen, leasecontracten en de planning van emissievrije vervanging.

Leg per voertuig en medewerker ten minste de cataloguswaarde, brandstofsoort, eerste datum van terbeschikkingstelling en gebruiksperiode vast, en registreer voor leen- en vervangende voertuigen iedere afzonderlijke inzetperiode. Wijs daarnaast proceseigenaars aan binnen HR, financiën, inkoop en facilitair beheer, en stem de fiscale verwerking tijdig af met de salarisverwerker en, waar van toepassing, de leasemaatschappij.

4. Opting-in en de verklaring pseudo-werknemer

In de internetconsultatie voor de Eindejaarsregeling is een wijziging van de opting-inregeling aangekondigd. Bij opting-in kiezen een arbeidskracht en een opdrachtgever gezamenlijk voor een arbeidsverhouding die nog niet als echte of fictieve dienstbetrekking geldt, voor de loonbelasting toch als fictieve dienstbetrekking te behandelen. De opdrachtgever houdt dan loonheffingen in, en de arbeidskracht kan op zijn beurt gebruikmaken van bepaalde loonbelastingfaciliteiten. Binnen de publieke sector kan dit relevant zijn voor functionarissen en arbeidskrachten die niet regulier in dienst zijn. Nieuw is dat het voorstel de toezending van de verklaring aan de inspecteur vervangt door een bewaarplicht voor de opdrachtgever.

De verklaring moet ten minste de volgende gegevens bevatten:

  • de naam en voorletters van degene die arbeid verricht;
  • de geboortedatum van degene die arbeid verricht;
  • het burgerservicenummer van degene die arbeid verricht;
  • het loonheffingennummer van de beoogde inhoudingsplichtige;
  • een omschrijving van de werkzaamheden waarop de verklaring betrekking heeft;
  • de ingangsdatum van de verklaring; en
  • de handtekeningen van degene die arbeid verricht en de beoogde inhoudingsplichtige.

Het voorstel vereist handtekeningen van beide partijen; of een volledig digitale vastlegging aan de definitieve voorwaarden voldoet, is nog niet duidelijk.

Aandachtspunten voor de publieke sector
Pas processen voor benoeming, overeenkomsten, onboarding, salarisverwerking en archivering tijdig aan, en borg dat de gezamenlijke keuze, ingangsdatum, werkzaamheden, persoonsgegevens en handtekeningen volledig en controleerbaar worden vastgelegd. Controleer na publicatie van de definitieve regeling ook of digitale ondertekening is toegestaan.

5. Aof-premie en maximumpremieloon

Voor 2027 wordt uitgegaan van een hogere premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof), en van een maximumpremieloon van naar schatting € 82.547 – tegenover € 79.409 in 2026. Beide ontwikkelingen kunnen de werkgeverslasten verhogen, vooral voor medewerkers met een loon op of boven het maximumpremieloon.

Aandachtspunten voor de publieke sector
Verwerk de definitieve premiepercentages en het maximumpremieloon in de personeelsbegroting en meerjarenraming voor 2027, en splits de lastenontwikkeling uit naar het effect van het tarief en dat van het hogere premieloon. Controleer daarnaast welk Aof-tarief voor de organisatie geldt, en voer na de eerste loonrun van 2027 een aansluiting uit tussen salarisadministratie, loonaangifte en financiële administratie.

6. Expatregeling vanaf 1 januari 2027

Werkgevers kunnen onder voorwaarden een onbelaste vergoeding toekennen aan werknemers die tijdelijk vanuit het buitenland in Nederland werken en extraterritoriale kosten maken; voor het toepassen van de expatregeling is een beschikking van de Belastingdienst nodig, waarvoor werkgever en werknemer gezamenlijk een aanvraag indienen. Vanaf 1 januari 2027 wordt de maximale forfaitaire vergoeding volgens het voorstel verlaagd van 30% naar 27% van het in Nederland belastbare loon, met een maximale grondslag van € 273.000, gelijk aan de WNT-norm. Voor gemeenten, provincies en waterschappen is dit onderdeel doorgaans alleen relevant voor zover de organisatie internationale specialisten met een expatbeschikking in dienst heeft.

Voor nieuwe gevallen gelden vanaf 2027 bovendien hogere fiscale salarisnormen: € 50.436 voor reguliere werknemers en € 38.338 voor werknemers jonger dan 30 jaar met een academische mastertitel. De bedragen worden vóór de inwerkingtreding nog geïndexeerd; de definitieve normen worden eind 2026 bekendgemaakt.

Voor werknemers die al vóór 2024 onder de expatregeling vielen, blijft op grond van het overgangsrecht gedurende de resterende looptijd maximaal 30% van het loon onbelast, met behoud van de bestaande, jaarlijks geïndexeerde salarisnorm. Is de regeling pas in 2024 gestart, dan daalt de maximale vergoeding per 1 januari 2027 naar 27%, terwijl de lagere salarisnorm wel van toepassing blijft.

Eerste toepassing v/d expatregeling in Partiële buitenlandse belastingplicht afgeschaft per Maximale vergoeding verlaagd naar 27% per Hoger salariscriterium van toepassing per
2023 2027 n.v.t. n.v.t.
2024 2025 2027 n.v.t.
2025 2025 2027 2027

Aandachtspunten voor de publieke sector
Breng alle internationale medewerkers met een expatbeschikking in kaart, bepaal per persoon welk overgangsregime vanaf 1 januari 2027 geldt, en leg startdatum, resterende looptijd, percentage, grondslag en salarisnorm vast. Beoordeel ook de gevolgen voor arbeidsovereenkomsten, nettoloonafspraken, begrotingen en communicatie, en stem wijzigingen tijdig af tussen HR, salarisadministratie, financiën en de betrokken medewerker.

7. Verruiming van de vrije ruimte in de WKR

Per 1 januari 2027 stijgt de vrije ruimte over de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom naar 2,16%; over het meerdere blijft het percentage 1,18%. De verhoging was al eerder wettelijk vastgelegd en staat los van het voorstel over de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten.

Aandachtspunten voor de publieke sector
Actualiseer de WKR-prognose voor 2027 op basis van de fiscale loonsom en breng in kaart welke vergoedingen en verstrekkingen ten laste van de vrije ruimte worden gebracht, zoals personeelsactiviteiten, thuiswerkvoorzieningen en sectorspecifieke arbeidsvoorwaarden. Documenteer daarbij steeds de aanwijzing en de fiscale onderbouwing en monitor het beslag op de vrije ruimte periodiek om een eindheffing van 80% te voorkomen.

8. Zelfstandigenwet en arbeidsrechtelijk rechtsvermoeden

De Wet VBAR wordt niet voortgezet, maar het voorgenomen arbeidsrechtelijke rechtsvermoeden bij een laag uurtarief blijft wel onderdeel van het beleid. Daarnaast is de initiatiefwet Zelfstandigenwet in internetconsultatie gebracht; de wet moet meer duidelijkheid geven over de kwalificatie van arbeidsrelaties, maar is nog niet in werking getreden.

Aandachtspunten voor de publieke sector
Behandel de kwalificatie van zzp-relaties als een actueel fiscaal, juridisch en financieel risico: beoordeel zowel nieuwe als bestaande opdrachten aan de hand van de geldende jurisprudentie, en leg zowel de contractuele afspraken als de feitelijke uitvoering vast. Documenteer daarbij onder meer wie instructies geeft, hoe sterk de werkzaamheden in de organisatie zijn ingebed, of vervanging daadwerkelijk mogelijk is, wie het commerciële risico draagt en in hoeverre de opdrachtnemer zich als ondernemer manifesteert.

Werk daarbij met een vaste beoordelingsmethodiek, periodieke herbeoordelingen, duidelijke escalatiecriteria en een controleerbaar dossier. Wijs een proceseigenaar aan, beschrijf de verantwoordelijkheden van inkoop, HR, de vakafdeling, juridische zaken en fiscaliteit, en leg vast wanneer een opdracht moet worden aangepast of beëindigd, of wanneer alsnog verwerking in de loonheffingen nodig is. Een aantoonbaar beheerst proces is bovendien relevant binnen horizontaal toezicht.

9. Hogere RVU-eindheffing

Een regeling voor vervroegde uittreding (RVU) biedt een werknemer een financiële overbrugging tot de AOW-leeftijd, waarover de werkgever in beginsel pseudo-eindheffing verschuldigd is. De RVU-drempelvrijstelling maakt hierop een uitzondering: over een wettelijk vastgesteld maandbedrag is geen RVU-eindheffing verschuldigd. De vrijstelling geldt uitsluitend voor uitkeringen in de periode van maximaal 36 maanden vóór de AOW-leeftijd en wordt tijdsevenredig berekend.

De drempelvrijstelling wordt vanaf 2026 structureel voortgezet, en voor aangewezen werknemers met zwaar werk kan het vrijgestelde bedrag met bruto € 300 per maand worden verhoogd. Bij de inrichting van een RVU-regeling zijn daarom zowel het totale uitkeringsbedrag en het aantal maanden tot de AOW-leeftijd, als de kwalificatie van de functie als zwaar werk, van belang.

Alleen het deel van de RVU-uitkering boven de beschikbare drempelvrijstelling wordt belast: voor dit meerdere bedraagt de RVU-eindheffing 57,7% in 2026, 64% in 2027 en 65% vanaf 2028. De heffing komt volledig voor rekening van de werkgever en staat los van de loonheffing die bij de werknemer wordt ingehouden.

Voorbehoud bedrag 2027
Het reguliere maandbedrag voor 2027 is nog niet definitief vastgesteld: in 2026 bedraagt de drempelvrijstelling € 2.357 bruto per maand, en dit bedrag wordt later in 2026 geïndexeerd en bekendgemaakt. Voor werknemers die aan de voorwaarden voor zwaar werk voldoen, kan vanaf 2026 bovendien een aanvullende vrijstelling van maximaal € 300 bruto per maand gelden. Gebruik bij de besluitvorming steeds het definitieve bedrag en de definitieve voorwaarden voor 2027.

Aandachtspunten voor de publieke sector
Toets per medewerker of de uitkering binnen de laatste 36 maanden vóór de AOW-leeftijd valt, bereken de vrijstelling per maand, en leg AOW-datum, looptijd, maandbedragen en eventuele kwalificatie als zwaar werk controleerbaar vast. Betrek HR, salarisadministratie, financiën en de betrokken vakafdeling bij de kostenraming en uitvoering, en beoordeel eenmalige betalingen, variabele termijnen en samenloop met andere vertrekvergoedingen steeds afzonderlijk.

10. Maximum pensioengevend inkomen

De fiscale wetgeving begrenst het inkomen waarover met belastingfaciliteiten pensioen kan worden opgebouwd, en een vergelijkbaar maximum geldt voor de aftrekruimte voor lijfrentepremies. Voorgesteld wordt het maximum van € 137.800 gedurende zes jaar niet te indexeren, waardoor het bedrag tot en met 2032 op het niveau van 2026 blijft terwijl de lonen naar verwachting verder stijgen. De maatregel is nog niet definitief.

Aandachtspunten voor de publieke sector
Controleer samen met de pensioenuitvoerder of de pensioenregeling, salarisadministratie en medewerkerscommunicatie aansluiten op het bevroren maximum. Bij loonstijgingen kan namelijk een groter deel van het inkomen buiten de fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw vallen – met name bij hogere inkomens en bij arbeidsvoorwaardelijke afspraken boven het fiscale maximum verdient dit bijzondere aandacht.

11. Samenvoegen van loon bij gelijktijdige betaling van een socialezekerheidsuitkering

Wanneer een werkgever of uitkeringsinstantie gelijktijdig een socialezekerheidsuitkering en ander loon aan dezelfde werknemer betaalt, kan samenvoeging voor de loonheffingen verplicht zijn. De gezamenlijke verwerking bepaalt onder meer welke loonbelastingtabel wordt toegepast en hoe de loonheffingskorting wordt verwerkt.

Vanaf 2027 blijft de samenvoegbepaling gelden: de uitkering, de aanvulling en eventueel ander loon worden nog steeds bij elkaar opgeteld. Nieuw is wel dat over het uitkeringsdeel geen arbeidskorting meer mag worden berekend. Bij verplichte samenvoeging worden zowel de uitkering als het gelijktijdig betaalde loon uit tegenwoordige dienstbetrekking daarom verwerkt volgens een combinatie van de groene en de witte tabel: bij handmatige berekening wordt eerst de inhouding over het totale samengevoegde loon bepaald met de groene tabel, waarna de arbeidskorting die hoort bij het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt bepaald met de witte tabel en van de eerder berekende inhouding wordt afgetrokken. Zo wordt over het uitkeringsdeel per saldo geen arbeidskorting meer toegepast. De inhouding kan hierdoor hoger uitvallen; een eventuele correctie volgt dan via de aangifte inkomstenbelasting van de werknemer.

Aandachtspunten voor de publieke sector
Inventariseer vóór 2027 in welke betaalstromen loon en een socialezekerheidsuitkering gelijktijdig worden uitbetaald, en leg de verantwoordelijkheden voor signalering, gegevensuitwisseling, berekening en correcties vast. Stem de inrichting af met de salarissoftwareleverancier en voer na implementatie gerichte controles uit op de gebruikte tabel, de loonheffingskorting en de aansluiting met de loonaangifte. Houd er daarbij rekening mee dat beide loonsoorten in twee afzonderlijke IKV’s (inkomstenverhoudingen) moeten worden verwerkt.

12. Bufferbudget Participatiewet

Vanaf 1 januari 2027 krijgen gemeenten met het bufferbudget een aanvullend maatwerkinstrument in handen voor inwoners die naast hun bijstandsuitkering inkomsten uit werk ontvangen. Bij wisselende of achteraf vastgestelde inkomsten kan de verrekening namelijk ertoe leiden dat iemand in een bepaalde maand feitelijk minder te besteden heeft dan de bijstandsnorm. Het college kan dit nadeel ambtshalve compenseren tot maximaal € 1.000 per persoon per kalenderjaar, al ontstaat er geen automatisch recht: per situatie wordt beoordeeld of inzet passend is en welk bedrag nodig is. Het budget kan in één keer of in delen worden toegekend, en kan ook worden gebruikt om een vordering als gevolg van inkomstenverrekening te vereffenen.

Aandachtspunten voor de publieke sector
De uitvoering en fiscale afwikkeling liggen bij de gemeente: het bufferbudget moet netto aan de inwoner beschikbaar komen en wordt daarom via een eindheffing bij de gemeente verwerkt. Leg vooraf vast in welke situaties het instrument wordt ingezet, wie is bevoegd te besluiten, hoe het bedrag wordt onderbouwd en hoe betaling, verrekening, correcties en eindheffing administratief worden verwerkt. Richt beleid, werkprocessen, financiële administratie, loonaangifte en ICT in samenhang in, en borg daarbij functiescheiding, dossieropbouw, periodieke monitoring en een consistente toepassing in vergelijkbare gevallen.

Meer informatie?
Heb je vragen over de gewijzigde maatregelen of heeft jouw organisatie ondersteuning nodig bij de implementatie? Neem dan gerust contact op met jouw EFK-adviseur, ons secretariaat op 072-5350525 of e-mail ons via info@efkbelastingadviseurs.nl. Wij denken graag mee!

 

Scroll naar boven