Van zogenoemde ambtelijke fusieorganisaties zijn in Nederland veel voorbeelden bekend, waarvan een aantal inmiddels helaas ook in de jurisprudentie zijn verschenen. Zij hebben steevast als doel- c.q. taakomschrijving het ambtelijk ondersteunen van de deelnemers op bijna alle gebieden binnen hun organisatie.
Let op: dit is een verdiepend artikel over de gevolgen van de koepelvrijstelling; eerst lezen wat de koepelvrijstelling inhoudt? Klik hier
Het standpunt van de Belastingdienst is dat de ambtelijke fusieorganisatie één prestatie verricht aan de deelnemers. Dat is naar onze mening op z’n zachtst gezegd twijfelachtig. Daarover zal waarschijnlijk binnenkort in een door EFK gevoerde procedure duidelijkheid komen.
Ambtelijke fusieorganisaties (in de vorm van een gemeenschappelijke regeling) worden opgericht in situaties waarin de deelnemende gemeenten niet echt groot zijn. Feitelijk wordt dit door het Rijk voorgeschreven, onder andere om de (gezamenlijke) kosten op een acceptabel niveau te houden. Waar grote gemeenten door hun omvang daar redelijk in (lijken te) slagen, is dat voor de kleine(re) niet of nauwelijks te doen.
Laat dat nu precies de ratio zijn van de koepelvrijstelling, dus die moet dan van toepassing zijn, toch? De Belastingdienst vindt helaas – met uitzondering dan van een kortstondige periode tot 1 januari 2018 – van niet en dat leidt soms tot een soort berusting bij de deelnemers, maar in een aantal gevallen ook tot belastingprocedures over de reikwijdte van de koepelvrijstelling.
Btw-effect(en)
Bij het toepassen van de koepelvrijstelling zal bij de ambtelijke fusieorganisatie btw-heffing over de bijdragen van de deelnemers achterwege kunnen blijven, wat met name een besparing van 21% btw over de personeelskosten oplevert.
Omdat gemeenten gebruik kunnen maken van het BTW-compensatiefonds (hierna: BCF), wordt door het ministerie van Financiën gesteld dat het nadeel van het niet (mogen) toepassen van de koepelvrijstelling best meevalt.
Weliswaar wordt meer btw gefactureerd, maar die is nagenoeg volledig BCF-declarabel en voor de rest deels aftrekbaar en deels kostprijsverhogend. Volgens het ministerie van Financiën is het de extra kostprijsverhogende btw die tot nadeel strekt bij de deelnemers en die is in de regel relatief gering van omvang. Zelfs zo gering dat het ministerie van Financiën deze te gering vindt voor (de deelnemers in) ambtelijke fusieorganisaties (opnieuw) goedkeurend beleid te maken.
Het uitgangspunt dat het voor de overige door de ambtelijke fusieorganisatie gefactureerde btw neutraal werkt, is echter uitsluitend correct wat betreft de bij de deelnemers aftrekbare btw. Het is namelijk zeker niet het geval voor de btw die wordt gedeclareerd in het BCF. Dat wordt veroorzaakt door de systematiek zoals wij die al geruime tijd kennen. Met het instellen van een BCF-plafond en de koppeling hiervan met de uitkeringen uit het Gemeentefonds komt elke gedeclareerde euro in het BCF ten laste van het Gemeentefonds. Feit is dat het (jaarlijks vast te stellen) BCF-plafond nog vele jaren niet zal worden overschreden. Ook dan blijft echter gelden dat door vorenbedoelde koppeling iedere euro die onnodig wordt gedeclareerd, leidt tot onnodige verlaging van de uitkeringen uit het Gemeentefonds. Feitelijk dus opnieuw een sigaar uit eigen doos, wellicht een andere sigaar maar wel dezelfde doos!
Als dit al voor € 1 geldt, geldt dat dus ook in gevallen waarin de personeelskosten € 50 miljoen of meer bedragen – een situatie die zeker niet uitzonderlijk is bij de gemiddelde ambtelijke fusieorganisatie. De daarover gefactureerde btw bedraagt dan € 10,5 miljoen of meer. Kortom: het totale effect voor de gezamenlijke gemeenten is groot. Hoe groot kunnen we slechts gissen, maar een voorzichtige schatting lijkt toch wel boven de € 100 miljoen uit te komen.
De beslissing van het ministerie van Financiën om voor (deelnemers in) ambtelijke fusieorganisaties geen nieuw goedkeurend beleid te maken, komt daarom wat ons betreft voor heroverweging in aanmerking. Onze gedachten gaan daarbij uit naar een “voor zover-regeling”: het toepassen van de koepelvrijstelling op prestaties van de ambtelijke fusieorganisatie aan de deelnemers, met een uitzondering hierop voor het deel dat de prestaties door de deelnemer(s) mede worden gebruikt voor btw-belaste doeleinden.
Destijds is voor het afzien van nieuw goedkeurend beleid vanaf 1 januari 2018 door het ministerie van Financiën mede als argument aangedragen dat een “voor zover-regeling” in strijd zal zijn met de Btw-richtlijn, onder verwijzing naar het arrest Commissie/Luxemburg van het Europese Hof van Justitie van 4 mei 2017.
Dat is naar onze mening overigens nog maar de vraag en daarnaast lijkt de kans dat de Nederlandse regering bij het toestaan van een “voor zover-regeling” door de Europese Commissie zal worden gedaagd voor het Europese Hof van Justitie verwaarloosbaar.
Het achterwege laten van goedkeurend beleid ook na 1 januari 2018 is wat ons betreft een gemiste kans geweest. Een goed moment die kans alsnog te benutten!
Meer informatie?
Vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact op met jouw EFK-adviseur, ons secretariaat op 072-5350525 of e-mail ons via info@efkbelastingadviseurs.nl.

