Wijziging herzieningsregels per 1 januari 2018

De wetgever is van plan de herzieningsregels voor roerende en onroerende zaken aan te passen en uit te breiden voor “kostbare diensten”. Per (on)roerende zaak kunnen meerdere herzieningstermijnen ontstaan. Dat kan voor- en nadelen hebben.

Op onroerende zaken en roerende zaken waarop wordt of kan worden afgeschreven, is voor de btw een herzieningsregeling van toepassing (artikel 13 van de UBOB 1968). Dat betekent dat een correctie van btw mogelijk is als een wijziging in gebruik (belast/vrijgesteld) optreedt in de jaren nadat de investering voor het eerst in gebruik is genomen. Voor onroerende zaken is de herzieningstermijn 9 jaren en voor roerende zaken 4 jaren.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt de herzieningsregeling thans niet voor zogenoemde ‘kostbare diensten’. Dat zijn diensten die weliswaar dermate omvangrijk zijn dat een ondernemer erop afschrijft, maar die niet tot de vervaardiging van een nieuwe zaak leiden. De btw wordt verwerkt in het boekjaar waarin de dienst is afgenomen en speelt de jaren daarna geen rol meer. In 2012 heeft het Hof van Justitie echter beslist dat een verbouwing van een zolder van een bedrijfsloods voor de vermogensetikettering leidde tot een ‘investeringsgoed’ <klik hier>.

Dit arrest heeft tot nogal wat vragen geleid en de wetgever heeft besloten hieraan een eind te maken met een wetswijziging. Voor het eerste voorstel daartoe <klik hier> is een internetconsultatie gehouden. Diensten waarop een ondernemer voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting afschrijft of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen, worden na de wetswijziging ook als investeringsgoederen aangemerkt. En daarvoor begint een eigen herzieningstermijn te lopen. Op dit moment is bij deze diensten uitsluitend het jaar van investeren relevant. Na de wetswijziging wordt een ingrijpende dienst aan een onroerende zaak voor de btw ook in totaal 10 jaren beoordeeld (voor roerende zaken is dat 5 jaren).

Vooralsnog ziet het ernaar uit dat de wijziging in werking treedt met ingang van 2018 zonder een overgangsregeling.

Gevolgen voor de praktijk

Gemeenten hebben niet alleen te maken met herzieningsregels voor hun ondernemerstaken (gebaseerd op de Wet OB 1968) maar ook voor de overheids-/niet-ondernemerstaken (Wet BCF). Vooralsnog is geen wijziging van de Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds bekend gemaakt. Naar wij aannemen zal deze er ook komen. Is dat het geval, zal de wetswijziging ook voor gemeenten ingrijpende gevolgen kunnen hebben. Als het gebruik van het gemeentehuis gedurende de herzieningstermijn wijzigt en voor een groot deel met vrijstelling wordt verhuurd, heeft dat gevolgen voor de eerder gecompenseerde btw. Voor de resterende herzieningstermijn zal een deel van de gecompenseerde btw moeten worden terugbetaald. Voor ingrijpend onderhoud gaat een afzonderlijke herzieningstermijn gelden. De gevolgen voor de btw zullen daarvoor apart inzichtelijk gemaakt moeten worden. Het wordt dus nog belangrijker dan voorheen dat kosten van een onroerende zaak op een afzonderlijke rekening (per onroerende zaak) worden geboekt. Dat geeft inzicht op de momenten dat het nodig is.

Voor meer informatie over de op handen zijnde wetswijziging kunt u terecht bij mr. Andrea Joore via het secretariaat op 072 5350525 of info@efkbelastingadviseurs.nl.