Wat te doen met sport?

Wat te doen met sport?

Er heerst onrust en onzekerheid over de fiscale aspecten bij het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in de toekomst bij gemeenten. Wat is de stand van zaken?

Vooraf

Uit een tweetal arresten van het Hof van Justitie trekt de staatssecretaris van Financiën de conclusie dat het geven van gelegenheid tot sportbeoefening door gemeenten eigenlijk is vrijgesteld van btw-heffing. In deze bijdrage vragen wij ons af of deze conclusie juist is. Wij kunnen ons voorstellen dat sommige lezers deze bijdrage moeilijk leesbaar vinden. Dit wordt echter veroorzaakt door de vakinhoudelijke verdieping. In incidentele gevallen ontkomen ook wij daar niet aan als wij verklaren dat aan de conclusie van de staatssecretaris nog wel wat valt af te dingen.

Uitgangspunt

Volgens de staatssecretaris wordt de prestatie “het gelegenheid geven tot sportbeoefening” door gemeenten en niet winst beogende instellingen ten onrechte belast met 6% btw vanwege de toepassing van een vrijstelling. Gevolg daarvan is dat veel gemeenten in feite ten onrechte de btw op de investeringen en kosten zouden hebben verrekend als voorbelasting op de btw-aangifte. Conform dit uitgangspunt zal bij wijziging van het fiscaal regime de herziening van toepassing zijn op onroerende zaken (zogenoemde 10-jaars herzieningsperiode), waardoor een deel van de investerings-btw zal moeten worden terugbetaald. Daarnaast vormt de btw op de exploitatielasten een additionele kostenpost. Gelukkig blijft in deze kabinetsperiode alles nog even bij het oude.

Analyse

De kern van de zaak zit in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Canterbury Hockeyclub <klik hier>. Het andere arrest betreft Bridport <klik hier>. Het Hof beslist dat het niet uitmaakt of een sportaccommodatie voor gelegenheid tot sporten in gebruik wordt gegeven aan een organisatie of aan een individu, omdat het sporten uiteindelijk alleen door mensen van vlees en bloed wordt uitgevoerd.

In Nederland is het sporten door leden van een sportorganisatie vrijgesteld van btw en is het geven van gelegenheid tot sportbeoefening aan sportorganisaties en individuele sporters belast met 6% btw. De Nederlandse vrijstelling en de toepassing van het 6% btw tarief zijn beide gebaseerd op de Europese Btw-richtlijn. De staatssecretaris vergelijkt gemeenten met sportorganisaties op basis van (i) de twee arresten en (ii) het gegeven dat de Belastingdienst bij veel gemeenten het gelegenheid geven tot sportbeoefening heeft geaccordeerd. De nauw met sport samenhangende activiteiten worden eveneens geschaard onder de btw-vrijstelling voor sportorganisaties. Naar de mening van de staatssecretaris vallen daar ook de activiteiten onder, die gemeenten verrichten jegens sportorganisaties.

Maar schiet de staatssecretaris hierin niet door? Nauw samenhangende activiteiten kunnen namelijk binnen het systeem van artikel 132 van de Btw-richtlijn onder een vrijstelling worden gebracht als de hoofdactiviteit ‘sec’ eveneens onder de vrijstelling valt. Nu kunnen wij van gemeenten veel zeggen maar of zij nu echte sportorganisaties zijn? Dat lijkt naar onze mening niet het geval te zijn. Dan resteert nog het element ‘gelegenheid geven’.

Is dan het gelegenheid geven tot sportbeoefening ten onrechte op de gemeentelijke activiteiten van toepassing verklaard? Er zijn zeker situaties bij gemeenten waar dit het geval is, maar ook waar de kwalificatie terecht is toegepast gelet op de specifieke feiten en omstandigheden. Moeten dan de gemeenten, die instemming hebben gekregen van de Belastingdienst waarin niet echt sprake is van gelegenheid geven tot sportbeoefening de dupe worden van de instemming van de Belastingdienst? Dit gaat zelfs de staatssecretaris te ver en hij kondigt een financiële compensatieregeling aan. Aangezien hiervoor niet voldoende middelen beschikbaar zijn, laat hij het over aan een volgend kabinet.

Maar een volgend kabinet kan waarschijnlijk niet voorkomen dat gemeenten, die terecht hun activiteiten kwalificeren als het gelegenheid geven tot sportbeoefening, zich ook het recht voorbehouden de prestaties in de heffing van btw te betrekken. Daarmee de toe te kennen btw op kosten en investeringen in aftrek te willen brengen c.q. willen houden. Dit zet de financiële compensatie onder druk.

De toekomst

Willen wij in Nederland een regeling, die zowel de activiteiten van de gemeenten onder de werking brengen van een sportvrijstelling als een financiële compensatie voor alle 390 gemeenten, is een landelijk (heren)akkoord noodzakelijk. Voorwaar een schone taak voor VNG/VSG om dit te coördineren.

Anders blijft nog altijd de mogelijkheid bestaan het gelegenheid geven tot sportbeoefening, zoals dat tot op de dag van vandaag in Nederland is vormgegeven, te handhaven.

Hebt u vragen neem dan contact op met mr. F.P. van den Eijnden of ons secretariaat via 072-5350525 of stuur een e-mail naar info@efkbelastingadviseurs.nl.