VPB & administratie, feiten en fictie

VPB & administratie, feiten en fictie

VPB & administratie, feiten en fictie

Het is duidelijk dat de uitbreiding van de belastingplicht voor overheidsbedrijven impact heeft op de gemeentelijke administratie. Zo dient een gemeente onder meer rekening te houden met verschillen tussen de BBV regels en de fiscale regels. Verder wordt de gemeente geconfronteerd met extracomptabele werkzaamheden in de vorm van bijvoorbeeld de fiscale aangifte.

Maar tot hoe ver gaan deze bijkomende verplichtingen en wat verwacht de fiscus van deze nieuwe groep belastingplichtigen? Dient met ingang van 2016 elke handeling of transactie fiscaal te worden gemonitord en beoordeeld?

Dit laatste is zeker niet het geval. Voor de vennootschapsbelasting is de gemeente in twee sferen in te delen, namelijk de ondernemingssfeer en de niet-ondernemingssfeer. Alles wat zich afspeelt in de niet-ondernemingssfeer is niet relevant voor de vennootschapsbelasting. Van activiteiten die niet in de ondernemingssfeer liggen, dient alleen te worden gemonitord of zich wijzigingen voordoen. Bijvoorbeeld een nadelig saldo verandert in een overschot.  Dit als onderdeel van de voorwaarden voor belastingplicht.

Voordat (een cluster van) activiteiten worden toegerekend aan de niet-ondernemingssfeer dienen deze namelijk eerst te worden getoetst aan de bekende ondernemingscriteria. Veel activiteiten vallen buiten de ondernemingscriteria omdat geen structurele overschotten worden behaald.

De beoordeling of al dan niet sprake is van een overschot gebeurt in beginsel op basis van de BBV-cijfers. De Belastingdienst zal zich hier ook aan conformeren. Wel dient een gemeente zich te realiseren dat uiteindelijk fiscaal wordt afgerekend op basis van de werkelijke cijfers over een jaar op basis van de fiscale winstbepalingsregels (goed koopmansgebruik). Fiscaal gezien schuilt daarbij het grootste aandachtspunt in de toegerekende kapitaalslasten (interne rente en afschrijvingen).

Dit betekent niet dat bij wijze van spreken tot twee cijfers achter de komma dient te worden uitgerekend wat het fiscale resultaat zou zijn. Een gemeente die deze exercitie uitvoert haalt zich veel extra werk op de hals wat absoluut niet noodzakelijk is en wat de fiscus ook niet eist.

Kortom indien een gemeente op basis van de BBV-cijfers constateert dat geen sprake is van structurele overschotten en daarbij (een deel van) de kapitaalslasten elimineert heeft zij haar cijfermatige onderbouwing voor toerekening aan de niet-ondernemingssfeer gereed. Een verdere onderbouwing al dan niet via het administratiepakket is niet nodig. Voor de activiteiten binnen de ondernemingssfeer dient de gemeente een meer nauwkeurige berekening te maken ten einde het fiscale resultaat op adequate wijze te bepalen.

Wilt u meer weten over dit onderwerp, neem dan contact op met Jan Batterink, of via ons secretariaat via 072 5350525 of info@efkbelastingadviseurs.nl.