Voorkomt een sociaal plan de 52% RVU eindheffing?

In de nieuwsbrief van 30 maart 2017 hebben wij aandacht besteed aan de beëindiging van het dienstverband en de 52% eindheffing op basis van de Regeling Vervroegd Uittreden (RVU). De in een sociaal plan opgenomen vrijwilligers- en plaatsmakersregeling leidt er volgens de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad niet toe dat de regeling kwalificeert als een RVU.

In zijn conclusie van 14 december 2017 onderschrijft de Advocaat-Generaal (A-G) de uitspraak van het Hof Den Bosch van 18 november 2016, inhoudende dat het in het kader van een reorganisatie met de vakbond overeengekomen sociaal plan met een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling niet kwalificeert als een RVU, en dat het beroep van de staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak ongegrond dient te worden verklaard.

Van een RVU is sprake indien het dienstverband wordt beëindigd vóór het bereiken van de AOW- of pensioengerechtigde leeftijd en de (ex)werkgever de werknemer een eenmalige of periodieke uitkering betaalt met (nagenoeg) uitsluitend als doel de overbrugging van de periode van ontslag tot de ingangsdatum van AOW of pensioen. In onze nieuwsbrief van 30 maart 2017 is aandacht besteed aan de voorwaarden waaraan dient te zijn voldaan om niet te kwalificeren als RVU, zoals bijvoorbeeld het hanteren van het afspiegelingsbeginsel bij een collectief ontslag.

In dit specifieke geval betrof het een in het kader van een reorganisatie tussen de werkgever en de vakbonden overeengekomen sociaal plan. Op basis van het plan worden boventallige werknemers aangewezen volgens het afspiegelingsbeginsel bij onderling uitwisselbare functies, dus geen RVU. Echter, het plan bevat ook een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling, waardoor een werknemer wiens arbeidsplaats vervalt kan worden uitgewisseld tegen een werknemer die onder toekenning van de beëindigingsvergoeding uit het sociaal plan plaats wil maken, volgens de Belastingdienst een subjectief criterium waardoor sprake is van een RVU. Overigens kan door de werkgever het gebruik maken van de vrijwilligers- of plaatsmakersregeling worden geweigerd, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. In casu heeft de werkgever 80 verzoeken afgewezen, waaronder ongeveer 60 personen van 55 jaar en ouder.

Tevens is van belang dat de beëindigingsvergoeding
1) is gebaseerd op de kantonrechtersformule, dus afhankelijk van maandloon, leeftijd, aantal dienstjaren en een correctiefactor;
2) nimmer hoger zal zijn dan de redelijkerwijs te verwachten inkomensderving tot het bereiken van de AOW leeftijd; en
3) zal worden gekort indien inkomen uit een ander dienstverband wordt genoten.

Toepassing van de kantonrechtersformule heeft volgens de A-G te maken met het feit dat de zorgplicht van de werkgever toeneemt ingeval de werknemer langer in dienst is en de verslechterde positie van de oudere werknemer op de arbeidsmarkt.

De A-G is van mening dat noch het sociaal plan noch de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling (nagenoeg) uitsluitend tot doel hebben te dienen tot overbrugging of aanvulling op het inkomen tot het ingaan van de AOW of het pensioen. Dit ondanks dat de feitelijke uitwerking er mogelijk wèl toe leidt dat werknemers uitkeringen genieten tot het bereiken van de AOW- of pensioenleeftijd.

Wat betekent dit voor gemeenten

De Hoge Raad hoeft de duidelijke conclusie van de A-G niet te volgen en kan anders beslissen. Voor gemeenten is van belang dat de A-G zich met name focust op de vraag wat het doel van de regeling is.

EFK adviseert gemeenten bij het opstellen van een regeling hiermee rekening te houden en vooraf de (on)mogelijkheden met onze specialist kort te sluiten. U kunt hiervoor contact opnemen met Ton van der Fits van ons kantoor. U kunt hem bereiken op 072-5350525 dan wel per e-mail info@ekfbelastingadviseurs.nl.