Valt recreatief zwemmen in een openluchtzwembad buiten de sportvrijstelling?

Valt recreatief zwemmen in een openluchtzwembad buiten de sportvrijstelling?
image_pdfimage_print

Recent heeft Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) in hoger beroep uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHAMS:2024:1329, 22/2487) over de vraag of het verlenen van toegang tot een openluchtzwembad voor de btw onder de sportvrijstelling valt. Het Hof beslist dat sprake is van het verlenen van toegang tot een permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening en daarom belast is met btw.

Feiten

Het Hof moest oordelen over een belastingplichtige die een openluchtzwembad exploiteerde gedurende de zomermaanden, met activiteiten zoals recreatief zwemmen, banenzwemmen, bootcamp en aquafitlessen, zwemlessen voor diploma’s A, B en C, en diverse evenementen. Toegang tot de activiteiten was mogelijk via abonnementen, dagkaarten of 10-banenkaarten, soms tegen extra vergoeding. Het geschil in hoger beroep draaide om de vraag of de prestaties waren vrijgesteld van omzetbelasting op grond van de sportvrijstelling (artikel 11, lid 1, onder e, van de Wet OB). De rechtbank had in eerste aanleg geoordeeld dat 90,5%van de omzet van belanghebbende betrekking had op btw-belaste prestaties. Omdat geen incidenteel hoger beroep was ingesteld, was het geschil beperkt tot het deel van de omzet (groot 90,5%) dat volgens de rechtbank niet was vrijgesteld.

De inspecteur betoogt in hoger beroep dat de diensten van de belastingplichtige vanaf 1 januari 2019 zijn vrijgesteld op grond van de sportvrijstelling. Volgens hem valt het verlenen van toegang tot ‘vrij zwemmen’ onder de vrijstelling, los van het gebruik of de intentie van de individuele bezoeker. Hij stelt dat de belastingplichtige uitsluitend vrijgestelde prestaties levert en daarom geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. De belastingplichtige bestrijdt dit.

Overwegingen van het Hof

Het Hof is van mening dat de prestatie van de belanghebbende bestaat uit het verlenen van toegang tot een permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening. Het Hof heeft het hoger beroep van de Belastingdienst ongegrond verklaard en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De belastingplichtige heeft daardoor gedeeltelijk recht op aftrek van de aan haar in rekening gebrachte voorbelasting, namelijk 90,5%.

Belang voor de praktijk

Wij adviseren u te onderzoeken of binnen uw gemeentegrenzen openluchtzwembaden onder vergelijkbare omstandigheden worden geëxploiteerd. Een zwembad biedt vaak meer dan alleen sportmogelijkheden; er vinden ook veel recreatieve activiteiten plaats. Als de gemeente of een stichting/vereniging binnen uw gemeentegrenzen onder vergelijkbare omstandigheden een openluchtzwembad exploiteert, zou gelet op de uitspraak van het Hof de exploitatie evenzo (deels) btw-belast kunnen zijn. Uiteraard moet worden afgewacht of beroep in cassatie is/wordt ingesteld en wat de uitkomst daarvan zal zijn. Wij houden u vanzelfsprekend op de hoogte van de ontwikkelingen.

Wij merken voor de volledigheid op dat het in de btw-heffing brengen van de exploitatie gevolgen heeft voor de compensatie via de regelingen Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) en de Specifieke Uitkering Stimulering Sport (SPUK). Deze subsidieregelingen vervangen het recht op aftrek van voorbelasting voor gemeenten (SPUK) en stichtingen en verenigingen (BOSA). Het in de btw-heffing brengen van de zwembadexploitatie betekent dat in zoverre voor dat deel geen recht op SPUK en BOSA bestaat.

Heeft u hulp nodig bij het inventariseren van de gevolgen voor uw zwembaden? Neem dan gerust contact op met uw EFK-adviseur via 072-5350525 of stuur een e-mail naar info@efkbelastingadviseurs.nl.

Majda Nassih