Sportbeoefening en btw: wat kan en mag wordt weer wat duidelijker

Sportbeoefening en btw: wat kan en mag wordt weer wat duidelijker

Een gemeente heeft jarenlang een sportaccommodatie aan een vereniging beschikbaar gesteld voor een relatief lage vergoeding met de verplichting te zorgen voor beheer en onderhoud. Omdat de accommodatie aan renovatie toe is, richt de vereniging een stichting op die de overeenkomst met de gemeente overneemt en btw-belast gelegenheid tot sportbeoefening gaat geven aan de vereniging en derden. De Belastingdienst past de middelen toe teruggaaf van btw op de renovatiekosten bij de stichting te voorkomen. De Hoge Raad stelt de Belastingdienst op alle punten in het ongelijk.

Casus

In de zaak <klik hier> komen alle aspecten van gelegenheid tot sportbeoefening aan de orde en blijkt dat de eisen die de Belastingdienst stelt aan het geven van gelegenheid tot sportbeoefening minder stringent hoeven te worden toegepast dan wat de staatssecretaris  stelt in zijn beleidsbesluit. De door de vereniging opgerichte stichting laat de renovatie uitvoeren en vraagt de aan haar in rekening gebrachte btw terug op aangifte. De opbrengsten van de stichting bestaan uit de vergoeding voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening aan de vereniging van € 40.000 per jaar, het beschikbaar stellen aan derden en inkomsten uit verpachting van de kantine en reclame. De Belastingdienst weigert de teruggaaf en verweert zich in cassatie met de redenen dat sprake is van schijnhandelingen, dat de stichting niet zelfstandig is en met de vereniging moet worden vereenzelvigd en dat sprake is van btw-vrijgestelde verhuur.

De Hoge Raad concludeert dat geen sprake is van schijnhandelingen omdat niet is gebleken dat de rechtshandelingen tussen de partijen niet stroken met de werkelijke bedoelingen. De vergoeding die de vereniging betaalt is in overeenstemming met normale marktvoorwaarden. Dat de vereniging op enig moment haar activiteiten zodanig wijzigt dat deze activiteiten tot een lagere belastingdruk kunnen leiden, is niet van belang mits sprake is van economische realiteit. De Hoge Raad herhaalt nogmaals dat als een belastingplichtige kan kiezen tussen twee handelingen, hij niet verplicht is te kiezen voor de handeling waarvoor het hoogste bedrag aan btw is verschuldigd; integendeel, hij heeft het recht zijn activiteiten zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft.

Volgens de Hoge Raad moet het begrip geven van gelegenheid tot sportbeoefening worden uitgelegd in overeenstemming met de Europese Btw-richtlijn om gebruik te kunnen maken van het 6%-tarief. Dat betekent dat het moet gaan om het recht gebruik te maken van accommodaties die bedoeld zijn voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding, alsmede het gebruik daarvan met dat doel voor ogen.  Het feit dat de stichting voor het klein onderhoud gebruik maakt van vrijwilligers van de vereniging die de accommodatie gebruikt doet aan het geven van gelegenheid tot sportbeoefening niet af.

Gemeentelijke praktijk

Voor gemeenten en verenigingen betekent dit dat voor de renovatie van sportaccommodaties gekozen mag worden voor een stichting-structuur. Daarnaast mag de stichting gebruik maken van vrijwilligers van de vereniging voor het onderhoud van de accommodatie. Daarmee is de uitleg van de Hoge Raad ruimer dan de toelichting en voorwaarden van de staatssecretaris. Maar deze gunstige werking zal naar verwachting eindigen als de sportvrijstelling wordt verruimd.

Wilt u meer weten over de toepassing van geven van gelegenheid tot sportbeoefening, neem dan contact op met uw adviseur of e-mail naar info@efkbelastingadviseurs.nl of bel 072 5350525.