Sport en btw: nieuwe vorm van denksport?

Sport en btw: nieuwe vorm van denksport?

Dat de antwoorden in de Tweede Kamer op het gebied van sport en btw ook nieuwe vragen kunnen oproepen, zal de staatssecretaris van Financiën inmiddels wel duidelijk zijn. Maar dat zijn antwoorden 27 nieuwe vragen opleveren, doet haast vermoeden dat btw een denksport aan het worden is.

In onze nieuwsbrief 2015-12 hebben wij bericht over de zienswijze van de bewindsman dat naar zijn mening de huidige btw-vrijstelling voor sport in Nederland te beperkt wordt toegepast. Naar zijn mening zouden ook andere diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport, onder de btw-vrijstelling dienen te vallen. Dit betekent een aanzienlijke verschuiving van aftrekbare btw op aangifte naar kostprijsverhogende btw. Dit heeft niet alleen betrekking op btw in de exploitatiesfeer, maar ook – en misschien wel het belangrijkste – in de investeringssfeer. Maar zover is het nog niet, want het kabinet geeft aan thans niet over voldoende financiële middelen te beschikken om de negatieve effecten van een verruimde btw-vrijstelling op te vangen en geeft aan in deze kabinetsperiode alles bij het oude te laten.

De maatschappelijke onrust is echter ontstaan en is – gelet op de maatschappelijke impact  – voer voor politici. Deze keer zijn het niet individuele Kamerleden, maar is het de vaste commissie voor VWS die een lijst heeft opgesteld met 27 vragen <klik hier>. Het zijn enerzijds vragen gericht op het in beeld brengen van situaties die onder de aangekondigde wijziging zullen vallen en anderzijds op de financiële gevolgen en de mate waarin betrokken partijen zullen worden gecompenseerd. Daarnaast zijn vragen gesteld of de Btw-richtlijn toch nog ruimte biedt en zo neen, op welke wijze de Europese vrijstelling kan worden vormgegeven in de Wet op de omzetbelasting 1968.

In de 27 vragen zit een bepaalde financiële samenhang die van de ambtenaren op het departement denkkracht vergt. Want gegeven de samenhang zal het antwoord bij de ene vraag directe gevolgen hebben voor de beantwoording van een of meerdere andere vragen. Dat de financiële gevolgen verstrekkend zijn, blijkt uit de vragen 22 en 23 en uit onze eerdere berichtgeving. De 32 grootste gemeenten hebben het nadeel becijferd op € 200 miljoen per jaar, terwijl de bewindsman uitgaat van een structurele opbrengst (voor het Rijk) van € 210 miljoen. Vanwege de btw-herziening zal bij invoering in het eerste jaar sprake zijn van een opbrengst van € 310 miljoen, die in 8 jaar zal worden afgebouwd naar € 210 miljoen.

Gemeentelijke praktijk

Een gemeente kan afwachten wat de (nabije) toekomst gaat brengen en zal de financiële gevolgen van een wetswijziging hebben te aanvaarden. Zij wordt pas dan voor de keus geplaatst op welke wijze dekking wordt gevonden voor de hogere uitgaven. Als van hogerhand geen of onvoldoende compenserende maateregelen worden getroffen, ziet het college van B&W zich geplaatst voor een directe bezuinigingsoperatie, die niet op voorhand de sympathie zal krijgen van de lokale sportverenigingen. Vanuit dit toekomstbeeld geredeneerd ligt de vraag voor of gemeenten gaan afwachten of gaan handelen. Sommige gemeenten zijn inmiddels gaan nadenken over deze toekomst en hebben al besluiten genomen om de dreiging het hoofd te bieden. Er is enige denkkracht voor nodig sport en btw ook in de toekomst onder het gunstig regime van het gelegenheid geven tot sportbeoefening te houden. Is btw-advisering dan toch een denksport geworden?

Wilt u weten of en hoe uw gemeente in uw specifieke situatie mogelijkheden heeft het gelegenheid geven tot sportbeoefening in stand te houden, neem dan contact op met Henk Zuidersma (072-5350525) of e-mail naar info@efkbelastingadviseurs.nl.