Re-integratie, outplacement en gelegenheid geven tot sportbeoefening

Een gemeente in Zuid-Holland heeft de eer gehad te zijn onderworpen aan een onderzoek volgens de steekproefmethode van de Belastingdienst. Gecompenseerde btw op re-integratie- en outplacementkosten wordt als fout aangemerkt en het gelegenheid geven tot sportbeoefening wordt gekwalificeerd als een btw-vrijgestelde prestatie en dus wordt de op aangifte in aftrek gebrachte btw ook als fout aangemerkt. Met een extrapolatie naar andere jaren toe zijn aanzienlijke correcties tot stand gebracht. Alle reden vol in het verweer te treden.

Re-integratie

Dat het gerechtshof Den Haag zich op het standpunt stelt dat een gemeente voor wat betreft de re-integratiekosten handelt als overheid en geen sprake is van een uitsluitingsgrond, weten wij al enige jaren. Immers dit standpunt heeft zij in de zaak Krimpen aan den IJssel in 2013 al verkondigd. Dat die procedure om een andere reden niet heeft geleid tot een inhoudelijk oordeel van de Hoge Raad, maakt nog niet dat het gerechtshof een ander standpunt zou innemen. En ja wel, het hof neemt het standpunt en de overwegingen van de rechtbank Den Haag (dat in feite al het standpunt van het gerechtshof was) over <klik hier>. Centraal punt is dat de uitgevoerde re-integratietrajecten in de eerste plaats prestaties behelzen verricht aan de collectiviteit van inwoners en niet aan individuele derden. De rechters leiden dit af uit parlementaire stukken.

Wij verwachten dat het ministerie van Financiën beroep in cassatie zal aantekenen tegen deze uitspraak. Immers de belangen zijn ogenschijnlijk groot, omdat bij invoering van het BTW-compensatiefonds voor de ‘individuele verstrekkingen’ (waarvan volgens het hof/de rechtbank geen sprake is) geen uitname heeft plaatsgevonden vanuit het Gemeentefonds. Als ook de Hoge Raad de gemeente in het gelijkstelt, mag worden verwacht dat alsnog gelden aan het bcf worden toegevoegd. De voedingsbron mag dan ook duidelijk zijn: niet de schatkist maar het Gemeentefonds zal daarvoor worden aangesproken.

Macro/micro-effecten

Het macro-effect is dat vrij besteedbare middelen uit het Gemeentefonds worden omgezet in geoormerkte gelden. Daar worden gemeenten met elkaar niet wijzer van. Dan rijst de vraag of de gemeente deze procedure wel had moeten voeren? Het antwoord daarop is volmondig ‘ja’. Mede door de extrapolatie zijn de belangen zodanig groot dat de gemeente wel gedwongen wordt het standpunt van de Belastingdienst aan te vechten.

Outplacement

En als je dan toch bezig bent dan neem je het punt van outplacement uiteraard ook mee. In tegenstelling tot de rechtbank geeft het hof de gemeente gelijk. Deze kosten komen voor compensatie in aanmerking. Het hof geeft aan dat de prestaties zijn verricht aan de gemeente en niet aan de oud-wethouder en vallen onder de verantwoordelijkheid van belanghebbende als bestuursorgaan. In het woord verantwoordelijkheid zingt het arrest van het Hof van Justitie inzake Julius Filibeck op de achtergrond mee en vanuit dat perspectief een logische uitspraak.

Sportvelden

Vanuit het zelfde onderzoek zijn ook correcties uitgevoerd op de in aftrek gebrachte btw voor wat betreft de sportvelden. De gemeente heeft het gelegenheid geven tot sportbeoefening toegepast op het ter beschikking stellen van de velden aan de sportverenigingen en derhalve de kosten op kosten en investeringen op aangifte in aftrek heeft gebracht, terwijl de Belastingdienst btw-vrijgestelde verhuur als uitgangspunt neemt en vindt dat de btw kostprijsverhogend diende te worden geadministreerd. Binnen het kader van het steekproefonderzoek vindt eveneens extrapolatie plaats en is sprake van aanzienlijke naheffingsaanslagen.

In de uitspraak maakt het hof <klik hier> niet veel woorden vuil aan de zaak. Uit de contractuele verhoudingen tussen de gemeente en de sportverenigingen blijkt duidelijk dat de gemeente meer doet dan alleen het passief ter beschikking stellen van onroerende zaken, waardoor – gelet op de kenmerkende elementen – de diensten een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het gelegenheid geven van sportbeoefening dan een enkele ter beschikkingstelling van een zaak. Zoals het er nu voorstaat zal dit gunstige fiscale regime de gemeente vanwege de verruiming van de sportvrijstelling per 2019 gaan ontvallen en zal sprake zijn van kostprijsverhogende activiteiten.

Gemeentelijke praktijk

Zoals uit beide uitspraken valt af te lezen wordt de gemeente op de drie onderwerpen door het hof volledig in het gelijk gesteld en is voor extrapolatie op deze onderwerpen dan ook geen ruimte meer. Zo blijkt – en dat strookt met onze ervaring – dat het (altijd) zinvol is niet zomaar met de resultaten van een boekenonderzoek van de Belastingdienst in te stemmen, maar kritisch te kijken naar de standpunten en waar nodig (extern) deskundigheid in te schakelen. Dat de Belastingdienst op onderdelen ook gelijk kan hebben, blijkt wel uit het feit dat de naheffingsaanslag voor een bedrag van € 34.865 in stand blijft.

Voor wat betreft het al dan niet recht hebben op compensatie van btw op re-integratiekosten blijft het belangrijk dat gemeenten hun rechten (vroeg of laat) gaan veiligstellen. Het is in ieder geval belangrijk dit veiligstellen nog dit jaar uit te voeren door nieuwe beschikkingen 2013 tot en met 2017 aan te vragen. Uiteraard kunt u ook even afwachten wat de Hoge Raad zal gaan beslissen, maar wacht niet te lang met het in kaart brengen van de btw die u aanvankelijk als kostprijsverhogend hebt geadministreerd. Als u dit in december 2018 nog hebt uit te voeren, kunt u wel eens voor 2013 te laat zijn.

Wilt u meer weten over de verruiming van de sportvrijstelling en/of het veiligstellen van het recht op compensatie op re-integratiekosten, neem contact met ons op via 072-5350525 of stuur een e-mail naar info@efkbelastingadviseurs.nl.