Parkeren in Groningen en de A-G

Parkeren in Groningen en de A-G

In onze vorige nieuwsbrief schreven wij dat er op dit moment drie verschillende rechterlijke beslissingen bestaan over de vraag of een ondernemer die tegen betaling parkeert in openbaar gebied, recht heeft op de uitreiking van een btw-factuur. In één van deze zaken is conclusie genomen door de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad (HR), mevrouw mr. C.M. Ettema.

Inleiding

Alle drie de gevallen betreft btw-ondernemers die hun zakelijk geëtiketteerde auto op openbaar gebied parkeerden en verzuimden parkeerbelasting te betalen. Daarop volgde een naheffingsaanslag parkeerbelasting. In bezwaar en beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting hebben deze ondernemers gesteld dat de gemeente bij het geven van gelegenheid tot parkeren optreedt als btw-ondernemer en zij dus recht hebben op een btw-factuur. Een van deze uitspraken is van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In zijn uitspraak wees dit hof de claim van de belanghebbende af. De belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Mevrouw Ettema, Advocaat-Generaal bij de HR (hierna: de A-G), heeft in deze zaak een conclusie geschreven <klik hier>. Haar advies aan de HR is dat de gemeente ter zake optreedt als btw-ondernemer en een factuur moet uitreiken aan de parkerende btw-ondernemer. Hieronder bespreken wij de conclusie.

De eerste vraag die de A-G beantwoordt is of de belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar en beroep. Dit betreft de vraag of het verzoek om een factuur kan worden aangemerkt als een fiscaal belang. Nu de rechtsmiddelen elk (mede) hebben gestrekt tot vernietiging van het parkeerbesluit van de gemeente en de belanghebbende in een betere positie kunnen brengen, heeft de belanghebbende voldoende belang om ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep.

Daarna behandelt de A-G het op het eerste gezicht ongebruikelijke dictum van Rechtbank Gelderland. De rechtbank honoreerde de eis van de belanghebbende: de gemeenten is opgedragen aan eiseres een factuur uit te reiken. De A-G meent dat ruimte bestaat in de uitspraak van de HR (maar niet in het dictum) in de vorm van een overweging op te merken dat de gemeente een factuur dient uit te reiken aan de parkeerbelastingplichtige.

Inzake de vraag of de vergoeding in- of exclusief btw luidt, merkt de A-G op dat nu de gemeente doorgaans gelegenheid tot straatparkeren zal bieden aan particulieren en de gemeente zich niet bewust is geweest van het feit dat zij btw verschuldigd is, de vergoeding inclusief btw luidt. Dit gegeven onderstreept het financiële belang van de belanghebbende. Als de parkeerbelasting de vergoeding exclusief btw zou zijn, zou de belanghebbende immers geen financieel belang hebben bij haar eis tot uitreiking van een factuur.

Volgens de A-G dient de vraag of sprake is van verstoring van de mededinging van enige betekenis te worden beoordeeld aan de hand van de werkzaamheid als zodanig. In dit geval bestaat de werkzaamheid in het tegen betaling van een vergoeding gelegenheid bieden tot parkeren (zowel omvattende slagboomparkeren als straatparkeren) waardoor de relevante markt, waarbinnen moet worden beoordeeld of verstoring van de mededinging van enige betekenis plaatsvindt, minimaal het gebied omvat dat binnen een lidstaat is gelegen.

Met name het standpunt van de A-G dat de in de richtlijn bedoelde werkzaamheid waarmee in concurrentie wordt getreden met de markt in dit geval bestaat in “het tegen betaling van een vergoeding gelegenheid bieden tot parkeren van een voertuig”, is cruciaal. Deze werkzaamheid omvat zowel het slagboomparkeren als het straatparkeren. Daardoor concurreert het straatparkeren met het slagboomparkeren. Het standpunt van de A-G gaat recht in tegen de beslissing van het hof Arnhem-Leeuwarden dat bij straatparkeren en slagboomparkeren geen sprake is van soortgelijke diensten.

Doordat de AG tot de conclusie komt dat de relevante markt minimaal het gebied omvat dat is gelegen binnen de landsgrenzen van een lidstaat en in casu sprake is van verstoring van de mededinging van enige betekenis, wordt ook het tegen vergoeding bieden van straatparkeren in steden waarin geen particuliere aanbieders actief zijn, een btw belaste activiteit.

Ten slotte concludeert de A-G dat alleen btw verschuldigd is over het deel van de naheffingsaanslag dat de vergoeding vormt voor het parkeren (€ 1,60). Het restant van de naheffingsaanslag blijft volgens haar buiten de heffing van btw omdat deze kosten geen verband houden met de parkeerduur maar een prikkel vormen om de parkeerbelasting te betalen.

Conclusie

De A-G is van mening dat gemeenten voor het geven van gelegenheid tot straatparkeren zozeer in concurrentie treden met (particuliere) aanbieders van (slagboom)parkeergelegenheid dat de gemeente daarvoor het werkingsgebied van de btw worden ingetrokken. Als de HR de conclusie van de A-G volgt, heeft dat verstrekkende consequenties voor gemeenten in Nederland die betaald straatparkeren aanbieden. Zij zullen niet alleen desgevraagd facturen moeten uitreiken maar daarnaast over hun parkeeropbrengsten 21% btw moeten voldoen op aangifte. Dat is een substantieel nadeel en vormt voor gemeenten een aanzienlijke opbrengstenderving.

Opvallend is dat de A-G niet ingaat op de vraag of de btw op de kosten van aanleg van parkeerplaatsen voor straatparkeren ingevolge haar standpunt verrekenbaar wordt op de reguliere periodieke btw-aangiften van de gemeente of dat deze btw compensabel blijft.

Wij menen dat goede argumenten zijn voor het standpunt dat het straatparkeren bij de huidige stand van het recht niet aan btw-heffing kan worden onderworpen. Wij vinden deze argumenten echter niet terug in de conclusie van de A-G. Als u meer over de fiscale behandeling van het straatparkeren wilt weten, kunt u terecht bij mr. Mike Pot via info@efkbelastingadviseurs.nl of via ons secretariaat op 072 535 0525.