Openstaande vorderingen en schulden en de 1-jaarstermijn

Vanaf 2017 zijn de regels omtrent het terug ontvangen van btw over openstaande vorderingen versoepeld. Het recht op teruggave ontstaat na één jaar na het opeisbaar worden van de vordering. Voor vorderingen ontstaan vóór 2017 geldt een overgangsregeling waardoor de btw pas in de eerste aangifte van 2018 kan worden teruggevraagd.

Openstaande vorderingen

De versoepeling bestaat eruit dat voor openstaande vorderingen niet langer behoeft te worden aangetoond dat de vergoeding niet is en zal worden ontvangen, als de vergoeding langer dan een jaar niet of niet geheel is voldaan. In artikel 29, lid 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst vanaf 2017) staat aangegeven dat het recht op teruggave geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk na één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Als het woord ‘geacht’ in een wetsbepaling is opgenomen, is sprake van een wetsfictie en is een nadere onderbouwing/bewijsvoering niet meer nodig. Het is overigens niet van belang of de factuur niet wordt betaald vanwege liquiditeitsproblemen of vanwege een geschil in gevolge een civiele procedure. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan een langslepend huurconflict. Voor de werking van artikel 29 van de Wet op de omzetbelasting 1968 is de reden voor het niet-betalen niet relevant als de termijn van één jaar is verstreken. Overigens als op een later tijdstip de vordering alsnog geheel of gedeeltelijk wordt betaald, wordt in dat aangiftetijdvak de btw weer verschuldigd.

Openstaande schulden

Aan de vordering zit natuurlijk een keerzijde. Degene die de factuur niet betaalt, wel administreert en de btw op aangifte in aftrek heeft gebracht, wordt de btw na één jaar weer verschuldigd. En ook hiervoor geldt: het maakt na één jaar niet uit wat de reden is voor het ‘niet-betalen’. Wordt de schuld op enig moment geheel of gedeeltelijk betaald, kan de btw alsnog naar rato in aftrek worden gebracht.

De gemeentepraktijk

Voor de openstaande vorderingen geldt dat als de gemeente rechtsgeldig en tijdig de btw wil terugontvangen over nog oude vorderingen (< 2017) dat die teruggave in het eerste belastingtijdvak van 2018 op aangifte wordt geëffectueerd.

Voor openstaande schulden geldt precies het omgekeerde. De gemeente wordt de btw verschuldigd ná één jaar na het opeisbaar worden van het factuurbedrag. Hiervoor is geen overgangsregeling bepaald, en dus geldt voor alle schulden waarvan de btw (gedeeltelijk) in aftrek is gebracht en waarvoor de termijn van één jaar is verstreken dat de btw al had moeten worden terugbetaald.

Forfaitaire of mengpercentages

Een complicerende factor is het gebruik van forfaitaire en/of mengpercentages op inkoopfacturen. De btw wordt dan gedeeltelijk op aangifte verrekend en gedeeltelijk gedeclareerd bij het
BTW-compensatiefonds. De complicatie is erin gelegen dat de wijziging in de Wet op de omzetbelasting 1968 niet heeft geleid tot een aanpassing van de Wet op het BTW-compensatiefonds. Dit impliceert dat voor openstaande schulden de termijn voor de aangifte staat op één jaar en voor de bcf-declaratie op twee jaar. Het is vanuit administratief oogpunt niet handig van de wetgever geweest de termijn van twee jaar (artikel 6, lid 2 Wet op het BTW-compensatiefonds) te handhaven. Ter zake van één en dezelfde (betwiste) factuur en het daarop vermelde btw bedrag dient verschillend te worden gehandeld.

Een voorbeeld:

De gemeente schaft in juli 2016 2 nieuwe tractoren aan voor een totaalbedrag van € 40.000 plus € 8.400 aan btw. De factuur met dagtekening 14 augustus 2016 dient uiterlijk op 15 september 2016 te zijn betaald. Al snel blijkt dat de gemeente tweemaal een ‘maandagochtend-product’ heeft aangeschaft en de gemeente is niet bereid de vordering te betalen tot dat een acceptabele oplossing wordt geboden. In december 2017 komen partijen tot elkaar, zijn de mankementen verholpen en betaalt de gemeente de nog openstaande factuur. De gemeente heeft de tractoren zowel voor compensabele activiteiten (60% = € 5.040) als voor btw-belaste doeleinden (40% = € 3.340 ) gebruikt.

Uitwerking:

In 2016 mag de gemeente de in rekening gebrachte btw voor € 5.040 declareren bij het bcf en € 3.340 verrekenen op aangifte. Vanwege het niet betalen wordt de gemeente de reeds op aangifte in aftrek gebrachte btw weer verschuldigd na één jaar na het opeisbaar worden van de factuur, dus 15 september 2017. Het gedeclareerde bcf-bedrag hoeft nog niet te worden terugbetaald vanwege de termijn van twee jaar.

In december 2017 betaalt de gemeente de factuur. Voor het bcf verandert er in deze situatie niets (binnen de 2 jaar) maar de voor de aangifte ontstaat een hernieuwd recht op aftrek tot een bedrag van € 3.340.

Let op!

De gemeente die – na afstemming met de Belastingdienst – uitsluitend de btw claimt op het moment van het betalen van de factuur heeft geen last van vorenstaande problematiek.

Conclusie

Administratief gezien is het al lastig om de 2-jaarstermijn te volgen en de 1-jaarstermijn is een complicatie van jewelste in gecombineerde situaties. Vanwege het uitblijven van een wettelijke aanpassing is het daarom verstandig dit aspect met de Belastingdienst te bespreken en (buitenwettelijke) afspraken te maken over één termijn voor één factuur/crediteur en deze afspraak op te nemen in uw Tax Control Framework.

Wilt u meer weten hoe u met de btw op openstaande vorderingen en schulden kunt omgaan in uw specifieke situatie, neem contact op met uw EFK-belastingadviseur of ons secretariaat via 072-5350525 of stuur een e-mail naar info@efkbelastingadviseurs.nl.