Ondernemersfonds, geen btw-ondernemer toch recht op aftrek?

Ondernemersfonds, geen btw-ondernemer toch recht op aftrek?

Stichting ondernemersfonds wordt goedkeuring onthouden voor teruggaaf van inkoop btw. De stichting heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan de voorwaarden van de goedkeuring van de staatssecretaris heeft voldaan. 

De staatssecretaris van Financiën heeft goedgekeurd dat ondernemersverenigingen, BIZ-stichtingen en vergelijkbare ondernemersfondsen – voor zover zij niet handelen als btw-ondernemer – alsnog de btw als voorbelasting mogen terugvragen, als zij aan een aantal voorwaarden voldoen. Een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden <klik hier> toont wederom aan dat zorgvuldig dient te worden omgegaan met gestelde voorwaarden van het goedkeurende beleid.

Wat speelde in de uitspraak?

Een gemeente heft een opslag op de onroerendzaakbelasting (hierna: OZB) en gebruikt deze om ondernemersverenigingen en samenwerkingsverbanden van ondernemers in de gemeente te ondersteunen. Hiervoor wordt een ondernemersfonds opgericht.  De gemeente verstrekt jaarlijks onder aftrek van de inningskosten de extra opbrengsten aan OZB aan het ondernemersfonds. De ondernemersverenigingen en samenwerkingsverbanden van ondernemers kunnen vervolgens voor hun activiteiten via trekkingsrechten subsidies aanvragen bij het ondernemersfonds. De trekkingsrechten is een verdeling van de totale pot over de verschillende deelgebieden binnen de gemeente die de meeropbrengsten aan OZB bijeen hebben gebracht.

Op een bedrijventerrein in de gemeente is een stichting actief die vooral zorgt voor extra beveiliging van dit bedrijventerrein. Deze koopt beveiligingsdiensten in en investeert onder meer in camerasystemen. Voor haar activiteiten vraagt de stichting een subsidie aan bij het ondernemersfonds.

De uitspraak

Volgens het gerechtshof verricht de stichting met het uitvoeren van de activiteiten geen prestaties tegen vergoeding en kwalificeert zij niet als btw-ondernemer.  Een conclusie welke niet lijkt te stroken met het goedkeurend beleid van de staatssecretaris van Financiën [paragraaf 6.3.7, klik hier]. Het gerechtshof wordt dan ook de vraag gesteld of de stichting toch recht op teruggaaf kan claimen op grond van het goedkeurende beleid.

Het hof komt tot het oordeel dat de stichting niet aan de voorwaarden van de goedkeuring heeft voldaan. Deze heeft niet de noodzakelijke relatie tussen de door haar gemaakte kosten en de opslag die de ondernemers betalen aannemelijk gemaakt. Het hof acht daarbij van belang dat het mogelijk is dat de opslag op de OZB ook wordt geheven van grondeigenaren die geen btw ondernemer zijn, bijvoorbeeld bij garageboxen in particulier gebruik. Niet duidelijk is of hiermee bij het berekenen van het aan de stichting toegekende bedrag rekening is gehouden. Tot slot bestaat onduidelijkheid over de door de stichting geclaimde subsidie ten opzichte van de toegekende trekkingsgelden. De stichting heeft veel minder geclaimd dan is toegekend. De door het ondernemersfonds aangehouden reserve sluit niet aan bij het verschil tussen de toegekende jaarlijkse bedragen en het door de stichting totaal gedeclareerde bedrag.

De uitkomst lijkt naar onze mening nogal onbevredigend, zeker voor de stichting. Tijdens de zitting heeft het gerechtshof partijen aangespoord tot een compromis te komen. De Belastingdienst heeft dit geweigerd. Het hof legt de lat voor de bewijslast voor de stichting wel erg hoog. Het doel van de door de gemeente gekozen weg was het heffen van een opslag op de OZB en het bedrag van de begrote meeropbrengsten – onder aftrek van de inningskosten – jaarlijks onderbrengen bij het ondernemersfonds. Het fonds heeft vervolgens de verplichting de bedragen toe te kennen aan de deelgebieden op basis van de regeling trekkingsgelden. Het algemeen uitgangspunt is dat de bedrijven die zijn gevestigd op het bedrijventerrein de bedragen bijeenbrengen die aan de stichting worden uitbetaald als subsidie. Het gaat dan ver te concluderen dat de stichting de relatie tussen de prestatie en de vergoeding onvoldoende heeft aangetoond. Dat de stichting minder subsidie heeft geclaimd dan haar zou toekomen op basis van de trekkingsgelden doet hieraan niets af. De uitgaven van de stichting worden volledig gedekt uit de door de ondernemers bijeengebrachte bedragen. Dat de ondernemers meer hebben betaald aan OZB doet hieraan naar onze mening ook niets af.

Als partijen (gemeente, ondernemersfonds en stichting) bij de opzet van de regeling zich volledig bewust waren geweest van de bewijslast die dit gerechtshof verlangd, dan was de uitkomst wellicht anders geweest. Partijen hadden hier dan op kunnen anticiperen. De stichting zou dan recht op aftrek hebben gehad, met wellicht een kleine correctie voor de percelen die niet in gebruik zijn bij btw-ondernemers.

Belang gemeenten

De procedure laat zien dat bij een beroep op goedkeurend beleid een zorgvuldige uitvoering van essentieel belang is. Het is raadzaam niet te snel te concluderen dat wordt voldaan aan de voorwaarden van de goedkeuring. Een goedkeuring blijft een afwijking van de wet en de rechter toetst in eerste instantie of volgens de wet recht op aftrek bestaat. Een beroep op het toepassen van een goedkeuring, wordt door de rechter veelal terughoudend beoordeeld.

Wilt u meer weten over dit onderwerp, neem dan contact op met Gerrit van de Kamp of ons secretariaat via 072-5350525 of stuur een mailbericht naar info@efkbelastingadviseurs.nl