Nieuw besluit inzake ter beschikking stellen van personeel en btw. Wat verandert er?

Nieuw besluit inzake ter beschikking stellen van personeel en btw. Wat verandert er?

De staatssecretaris heeft kort voor de jaarwisseling zijn nieuwe beleidsbesluit over het uitlenen van personeel gepubliceerd (besluit van 14 december 2018, nr. 2018-22809) <klik hier>.

Daarmee vervangt hij zijn besluit van 14 maart 2007, CPP2007/347M. De hoofdregel is dat de prestatie bestaande in de uitlening van personeel, is belast met 21% btw. Het besluit geeft aan in welke bijzondere gevallen en onder welke voorwaarden daarvan mag worden afgeweken. Het nieuwe besluit is in wezen een update van het oude besluit omdat het oude besluit wordt herhaald maar met aanpassing aan de tussentijdse rechtsontwikkeling. Eerdere publicaties over de gevolgen van het arrest van het HvJ inzake het Horizon College en de rechtspraak van de Hoge Raad uit 2014 over de diensten van (een maatschap van) operatieassistenten en anesthesiemedewerkers zijn nu in dit besluit verwerkt.

De praktijk laat veel discussies zien over de vraag of sprake is van het uitlenen van personeel of bijvoorbeeld het verrichten van onderwijs dan wel het verrichten van gezondheidskundige handelingen. Het uitlenen van personeel is immers steeds belast terwijl de diensten bestaande uit het verrichten van onderwijs of gezondheidskundige handelingen vrijgesteld van btw-heffing kunnen zijn. De staatssecretaris begint daarom in het besluit met het uitzetten van de piketpaaltjes over de criteria voor uitlenen en van een andersoortige prestatie. Van uitlenen is sprake als de uitlener personeel ter beschikking stelt aan de inlener waarbij dat personeel onder toezicht of leiding van de inlener arbeid verricht (in vergelijkbare zin artikel 34 Invorderingswet). Er is geen sprake van uitlenen van personeel als tussen partijen een overeenkomst tot opdracht tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden is gesloten waarbij de aard van de te verrichten werkzaamheden duidelijk wordt beschreven en uit de overeenkomst blijk dat tussen opdrachtgever en opdrachtnemer geen arbeidsovereenkomst, uitzendovereenkomst of andere overeenkomst is gesloten waaruit de ondergeschiktheid blijkt. De vraag is dus wat voor prestatie wordt verricht. Daarvoor wordt in eerste instantie naar het voorwerp van de overeenkomst gekeken.

Net als in het vorige besluit, komen in dit besluit achtereenvolgens aan de orde het ter beschikking stellen van personeel:

a.    In de sociaal-culturele sector (onderdeel 3);
b    In de gezondheidssector (onderdeel 4);
c.    In de onderwijssector (onderdeel 5);
d.    Aan zogenoemde Euregio’s (onderdeel 6);
e.    In het kader van herstructurering van publiekrechtelijke lichamen (onderdeel 7);
f.    Ter bevordering van arbeidsmobiliteit (onderdeel 8).

In het nieuwe besluit onderscheidt de staatssecretaris voor de sectoren a, b en c tussen het structureel uitlenen en het ter beschikking stellen van personeel als nauw samenhangende dienst. Structureel wil zeggen ‘voor onbepaalde tijd’. Daarnaast moeten zowel de inlener als de uitlener (uitgaande van a) een sociaal-culturele instelling zijn en de ingeleende werknemer moet ook worden ingezet voor sociaal-culturele activiteiten. Daarnaast gelden nog tal van cumulatieve voorwaarden.

De ter beschikkingstelling van personeel als dienst die nauw samenhangt met een vrijgestelde activiteit, is ontleend aan het arrest van het HvJ inzake het Horizon College. Dat arrest gaat over het uitlenen van onderwijspersoneel en de vraag wanneer deze uitlening kan worden gezien als een nauw met onderwijs samenhangende dienst.

Bij de niet-structurele ter beschikkingstelling van personeel in de sociaal-culturele sector geeft de staatssecretaris aan dat hij het uitlenen in WMO- en Jeugdzorgverband onder voorwaarden als een nauw met vrijgestelde activiteiten samenhangende dienst wil zien. Het uitlenen in het kader van de WMO kan onder voorwaarden worden gezien als een nauw met de medische vrijstelling (11-1-g-3 van de Wet OB) samenhangende dienst en uitlening in het kader van de Jeugdzorg kan onder voorwaarden worden gezien als een nauw met de sociaal-culturele vrijstelling (11-1-f van de Wet OB) samenhangende dienst.

In de praktijk blijkt dat aan het uitlenen van personeel op grond van meerdere wetten rechtsgevolgen worden verbonden. Denk ook aan de Wet op de vennootschapsbelasting en de Mededingingswet (Wet Markt en Overheid). Wij adviseren daarom vooraf goed te beoordelen welke gevolgen precies verbonden zijn aan uitleensituaties (denk hierbij zeker ook aan de inlenersaansprakelijkheid). Misschien kan aan de voorwaarden van het besluit worden voldaan. En misschien is een opdracht tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden te prefereren boven uitlening. Wij zijn u daarbij graag van dienst. U kunt hiervoor contact opnemen met Mike Pot of ons secretariaat via 072-5350525 of stuur een e-mail naar info@efkbelastingadviseurs.nl.