Kosten reorganisatie 52% hoger dan gepland

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de in het kader van een reorganisatie ingevoerde non-activiteitsregeling kwalificeert als een Regeling Vervroegd Uittreden. Een extra voldoening van 52% is een feit, maar ook een onverwachte kostenpost.

Uitgangspunt

Als een non-activiteitsregeling wordt aangemerkt als een Regeling Vervroegd Uittreden (hierna: RVU), komt dat een werkgever duur te staan. Hij is in zo’n geval een pseudo eindheffing van 52% verschuldigd.

De casus

In dit geval staat de non-activiteitsregeling uitsluitend open voor werknemers die op een peildatum de leeftijd van 57 jaar of ouder hebben bereikt. De werknemers kunnen met behoud van de dienstbetrekking – vrijwillig gebruik maken van de regeling tot het moment waarop de AOW-leeftijd wordt bereikt. De Hoge Raad is – anders dan de inhoudingsplichtige stelt – van mening dat voor het oordeel of een regeling kwalificeert als een RVU slechts van belang is of de regeling is bedoeld uitkeringen en verstrekkingen te doen ter overbrugging of als aanvulling van het loon tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De reden een dergelijke regeling in te voeren is dan niet meer relevant.

Uitzondering

De extra heffing is niet verschuldigd als bij de reorganisatie de vermindering van het personeelsbestand op objectieve criteria is gebaseerd.Zoals het afspiegelingsbeginsel, waarbij niet de intentie bestaat slechts ouderen te ontslaan met het oog op vervroegd uittreden. Aan dit afspiegelingbeginsel wordt ook voldaan indien een dergelijke vrijwillige afvloeiingsregeling onderdeel is van een totale afvloeiingsregeling binnen een sociaal plan. De staatssecretaris van Financiën staat daarbij een doelmatigheidsmarge van 10% toe. Dit betekent dat indien op basis van het afspiegelingsbeginsel in de leeftijdscategorie boven 55 jaar 40 ontslagen zullen vallen, er 40 plus 10%, dus 44 mogen afvloeien. Aan deze goedkeuring zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • De ontslagen op basis van het sociaal plan inclusief de vrijwillige vertrekvergoeding zijn uiterlijk afgerond in een periode van 36 maanden;
  • De werkgever legt vooraf een inschatting vast en maakt achteraf een verantwoording op over de naleving van de objectieve ontslagcriteria; en
  • De werkgever bewaart de inschatting en de verantwoording op controleerbare wijze bij zijn loonadministratie.

Blijkt achteraf dat de doelmatigheidsmarge van 10% is overschreden, dan geldt voor de gehele groep oudere werknemers dat sprake is van een RVU met een pseudo eindheffing van 52% ten laste van de werkgever tot gevolg.

Wat betekent dit voor de gemeenten?

Indien werknemers afvloeien, dient altijd te worden beoordeeld of sprake is van een RVU. Is de groep afvloeiende werknemers beperkt tot oudere werknemers en is de ontslaguitkering bedoeld de periode tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd te overbruggen, zal sprake zijn van een RVU. Dit leidt tot een extra last van 52% pseudo-heffing welke voor rekening van de gemeente komt.

Wil u meer weten over de fiscale gevolgen van een reorganisatie in het personeelsbestand, neemt u dan contact op met Ton van der Fits of ons secretariaat onder telefoonnummer 072-5350525 dan wel per e-mail naar info@efkbelastingadviseurs.nl.