Het gebruikelijkheidscriterium gewogen en te licht bevonden

In een nog niet gepubliceerde uitspraak heeft de Rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat de bewijslast voor de gebruikelijkheid onder de werkkostenregeling bij de Belastingdienst ligt en dat zij in dit geval dat bewijs dient te leveren.

Onder de per 1 januari 2011 ingevoerde werkkostenregeling kunnen werkgevers vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen aanwijzen als eindheffingsloon. Het voordeel van het aanwijzen als eindheffingsloon is tweeledig. Voor zover de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen onder de vrije ruimte vallen, zijn deze ‘onbelast’ . Indien de vrije ruimte wordt overschreden, is over het meerdere slechts 80% eindheffing verschuldigd.

Om te voorkomen dat werkgevers de werkkostenregeling gaan misbruiken om uitsluitend een tariefvoordeel te behalen, is het gebruikelijkheidscriterium ingevoerd. Dit criterium houdt in dat de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die de werkgever aanwijst als eindheffingsloon, niet meer dan 30% mogen afwijken van wat in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is. Het bedrag dat boven de 30%-grens uitkomt, is loon van de werknemer. Vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen van maximaal € 2.400 per persoon per jaar beschouwt de Belastingdienst in ieder geval als gebruikelijk.

Met ingang van 1 januari 2016 is het gebruikelijkheidscriterium aangescherpt. Het aanwijzen van de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen van een bepaalde omvang dient gebruikelijk te zijn, met andere woorden het is gebruikelijk dat een werknemer vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen van een bepaalde omvang belastingvrij krijgt en dat de werkgever de loonheffing via eindheffing voor haar rekening neemt.

In de berechte casus ging het om aan directieleden om niet toegekende aandelen, waarvan de belastingheffing voor rekening van de werkgever kwam. De in de jaren 2012 en 2013 toegekende aandelen zijn aangewezen als eindheffingsloon, hetgeen een aanzienlijke belastingbesparing voor de werkgever opleverde. De Belastingdienst was het met de aanwijzing oneens, omdat de aanwijzing met name vanwege de hoogte van de verstrekking de gebruikelijkheidstoets van de werkkostenregeling niet kon doorstaan.

De Rechtbank stelt de Belastingdienst in het ongelijk. De Belastingdienst heeft in dit geval niet duidelijk gemaakt welke omstandigheden met elkaar zijn vergeleken. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat voor de bewijsvoering niet kan worden volstaan met een beroep op een overschrijding van het door de Belastingdienst geïntroduceerde doelmatigheidscriterium van € 2.400.

Belang voor gemeenten

Dit is pas de eerste uitspraak over de werkkostenregeling en het gebruikelijkheidscriterium. Duidelijk is dat indien de Belastingdienst met succes een beroep wil doen op de afwezigheid van dit criterium, zij in de bewijsvoering duidelijk dient aan te geven welke de vergelijkbare omstandigheden zijn waaraan is getoetst en dat zij niet kan volstaan met een beroep op het doelmatigheidscriterium van € 2.400.

Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met Ton van der Fits via e-mail info@efkbelastingadviseurs.nl of ons secretariaat op 072-5350525.