Het bewegingsonderwijs: het recht op compensatie en aftrek (deel 1)

Het bewegingsonderwijs: het recht op compensatie en aftrek (deel 1)

Het bewegingsonderwijs: het recht op compensatie en aftrek (deel 1)

Recent heeft de Hoge Raad twee uitspraken gedaan waarbij het bewegingsonderwijs centraal staat. De ene zaak gaat over het recht op compensatie en de andere over het recht op aftrek van btw. Vele gemeenten hebben het bewegingsonderwijs als kostprijsverhogend gelabeld. Hoe kan er dan worden geprocedeerd over compensatie en recht op aftrek? Dat is – zoals zo vaak – afhankelijk van feiten en omstandigheden. Laat u verrassen.

De casus

In de eerste zaak <klik hier> realiseert een Zuid-Hollandse gemeente een sportaccommodatie die zij aan een onderwijsinstelling ter beschikking stelt voor het geven van bewegingsonderwijs. De gemeente bedingt hiervoor geen vergoeding. Daarnaast stelt zij de accommodatie tegen vergoeding ter beschikking aan een sportvereniging en particulieren. De gemeente heeft alle aan haar in rekening gebrachte btw ter zake van de realisatie op aangifte in aftrek gebracht. De Belastingdienst is het daarmee niet eens en legt een naheffingsaanslag btw op, omdat de gemeente niet handelt als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Op dezelfde dag dat de naheffingsaanslag btw wordt opgelegd, stelt de Belastingdienst ook de beschikkingen BTW-compensatiefonds (bcf) vast voor de jaren waarin de realisatie heeft plaatsgevonden. De gemeente maakt bezwaar tegen deze bcf-beschikkingen en heeft verzocht om aanvullende teruggaven bcf voor het deel van de btw dat via de naheffingsaanslagen is nageheven. Daarnaast heeft de gemeente ook tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De Belastingdienst heeft niet tegemoet willen komen aan de bezwaren en de gemeente heeft vervolgens beroep aangetekend tegen de uitspraken op bezwaar.

Het beroep tegen de naheffingsaanslag heeft de gemeente ingetrokken. Volgens de rechtbank is daardoor het oordeel van de Belastingdienst, dat de gemeente niet heeft gehandeld als btw-ondernemer, komen vast te staan. Of dit oordeel terecht is wordt in de tweede zaak wel duidelijk. De rechtbank heeft over het bcf geoordeeld dat de gemeente geen recht heeft op een bijdrage uit het bcf omdat de accommodatie aan een individuele derde ter beschikking wordt gesteld.

In hoger beroep creëert het gerechtshof een lus in de rechtsgang, door de zaak in zijn geheel (btw en bcf) terug te verwijzen naar de inspecteur opdat een onderling consistent resultaat wordt bereikt. De staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof beroep in cassatie aangetekend. Blijkbaar heeft hij daar geen zin in gehad, of acht hij het formeelrechtelijk een onjuiste gang van zaken. Bij dit laatste kunnen wij ons zeker iets voorstellen.

De Hoge Raad grijpt, zoals zij dat veel vaker doet in bcf-procedures, terug naar de totstandkomingsgeschiedenis van het bcf. Artikel 9, lid 6 Wet bcf bepaalt dat hetgeen voor de omzetbelasting onherroepelijk vaststaat, mede geldt voor de toepassing van het bcf. Het primaat ligt dus bij de Wet OB. Door het intrekken van het beroep tegen de naheffingsaanslag btw is het standpunt van de Belastingdienst ook geldend voor het bcf. De Hoge Raad herhaalt niet – en naar onze mening terecht – het standpunt van de inspecteur, maar geeft aan dat de gemeente voor zover het de accommodatie ter beschikking stelt zonder vergoeding niet bezigt in het kader van zijn onderneming. De rechtbank – als feitenrechter – heeft in haar uitspraak vastgesteld dat de sportaccommodatie aan een individuele basisschool ter beschikking wordt gesteld. In deze vaststelling ligt opgesloten dat sprake is van een individuele verstrekking waarvoor uitsluiting van bcf is geregeld in artikel 4 lid 1, letter a van de bcf. De grief van de gemeente dat zij met het ter beschikking stellen van sportaccommodaties aan basisscholen activiteiten verrichten jegens het collectief van jeugdige inwoners van de gemeente, blijft daardoor buiten behandeling.

Gemeentelijke praktijk

Wij kunnen ons voorstellen dat de gemeente de procedure heeft ingezet op het argument dat sprake is van een collectieve voorziening. Een Gelderse gemeente heeft dat ook al eens geprobeerd, maar ook die heeft geen recht op compensatie verkregen. Degene die aanleiding geeft dit gemeentelijke standpunt in te nemen, lijkt toch de staatssecretaris zelf te zijn. Hij is het immers die voor dezelfde doelgroep (de jeugdige schoolgaande kinderen in de gemeente) in het kader van de bibliotheek toestaat in het Besluit Aftrek van omzetbelasting, BLKB 2011/641M, onderdeel 3.6.4. dat het gratis abonnement niet leidt tot een aftrekbeperking.

Wie tegenwoordig op het internet zoekt op ‘sportnota’ zal een grote hoeveelheid gemeenten aantreffen, die de beleidsmatig zijn met de breedtesport in hun gemeente en waarbij het bewegingsonderwijs ‘slechts’ een onderdeel is. Echter, zolang voor het bcf wordt aangesloten op de ontstaansgeschiedenis (2000-2002) zal het vernieuwende van onze door ontwikkelende samenleving nooit worden ondersteund vanuit de bcf-hoek. Iets waar in gemeenteland dan toch maar rekening mee moet worden gehouden.