Het bcf doorgelicht – deel 2

In de vorige nieuwsbrief hebben wij een eerste algemene reactie gegeven op het rapport Beleidsdoorlichting van artikel 6 BTW-compensatiefonds (2010-2015) Inmiddels heeft de vaste commissie voor Financiën 17 vragen gesteld waarop de staatssecretaris antwoord heeft gegeven. De antwoorden vormen de basis voor deze beschouwing.

Op 9 februari 2017 beantwoordt de staatssecretaris van Financiën (hierna: de staatssecretaris) de 17 vragen van de commissie <klik hier>. Zowel de beleidsdoorlichting als de vragen en de antwoorden in hun onderlinge verband bezien, vormen lezenswaardige stukken. Een drietal zaken valt op, waarop wij thans en in volgende nieuwsbrieven nader ingaan:

1.    Constructies (vraag 1 tot en met 3);
2.    De constatering dat het BTW-compensatiefonds (hierna: bcf) en de voorwaarden voor het BCF niet wezenlijk zijn veranderd (vraag 7 en 8);
3.    Een kleine efficiencywinst door meer uitbesteding zou het bcf maatschappelijk rendabel maken (vraag 10).

In deze bijdrage worden de constructies behandeld.

Constructies

De commissie heeft de vraag gesteld op welke wijze onderzoek heeft plaatsgevonden naar het bestaan van fiscale constructies en welke constructies bestaan. Op zichzelf beschouwd een terechte vraag. Immers de staatssecretaris heeft al aangegeven dat het bcf materieel is afgeschaft. In strikte zin zijn gemeenten en provincies daarmee terug in de jaren voorafgaande aan het bcf. Dit roept logischerwijs de vraag op of de belastingconstructies van vóór de invoering van het bcf nu hun intrede weer hebben gedaan.

Wij concluderen dat de staatssecretaris blij mag zijn dat gemeenten en provincies in 2013 niet hebben willen instemmen met het afschaffen van het bcf. De financiële prikkel voor het overwegen van een constructie is daardoor niet voor iedere gemeente en provincie afzonderlijk herleefd. Echter, als de gemeenten en provincies in de gezamenlijkheid zouden opereren en een macro-visie daarop zouden loslaten, zijn de financiële prikkels alom aanwezig. Maar zolang de macro-effecten voor een individuele projectleider/portefeuillehouder een ver-van-mijn-bed-show is, blijft het eigen belang de boventoon voeren.

Schoolgebouwen

De financiële prikkel blijft wel degelijk aanwezig op het vlak van schoolgebouwen. Het genoemde voorbeeld van de nieuwbouw van schoolgebouwen zal een ieder die de rechtspraak volgt, bekend in de oren klinken, want de fiscale schoolstrijd duurt al vele jaren.

Sportaccommodaties

Opmerkelijk is het noemen van de constructie met sportaccommodaties. De staatssecretaris schrijft het volgende hierover:
De btw-constructie bestaat erin dat gemeenten op kunstmatige wijze willen voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief. (..) de gemeente ook alle aanvullende handelingen van beheer, onderhoud en beveiliging verricht, maar tegelijkertijd afspreekt dat deze aanvullende handelingen materieel door de vereniging zelf worden uitgevoerd. Op deze manier kunnen gemeenten btw die betaald is over de aanleg van sportaccommodaties terugvorderen. De belastingdienst bestrijdt de hierboven beschreven constructies.

Redactioneel commentaar

Dit is opmerkelijk omdat dit geen constructie is, maar een gemeente die gewoon niet doet wat zij contractueel heeft afgesproken. Als btw-ondernemers niet doen wat zij (contractueel) met gebruikers hebben afgesproken, kunnen zij toch bezwaarlijk de prestatie fiscaal duiden op basis van het contract.

Waarom benoemt de staatssecretaris overigens deze ‘constructie’, wetende dat dit zich niet eens afspeelt in de wereld van het bcf? Immers het uitgangspunt is dat de gemeente zonder bijkomende prestaties, maar tegen vergoeding in beginsel een btw-vrijgestelde ondernemersprestatie verricht, waardoor het recht op aftrek van btw wordt uitgesloten.

Met aanvullend dienstbetoon verandert de dienst in een btw-belaste prestatie. In beide situaties heeft dit niets van doen met het BCF en is het geschetste van toepassing op alle ondernemers in Nederland die deze prestatie verrichten. Of is dit de aanzet tot het creëren van het politieke draakvlak voor een volgend kabinet om de aangekondigde verruiming van de sportvrijstelling makkelijker te laten landen?

Als er één organisatie is die in het kader van sport wél ‘misbruik’ maakt van het recht op compensatie van btw, is dit de Belastingdienst wel. Zo zijn bijvoorbeeld in 2010 veel praktische afspraken gemaakt met exploitanten van sportaccommodaties, door de van gemeenten te ontvangen exploitatiesubsidies maar te belasten met btw. Dit in combinatie met het recht voor gemeenten de btw te declareren bij het BCF. Subsidies die eigenlijk volgens vaste rechtspraak buiten de heffing van btw blijven. Het effect laat zich raden. De omvang van het BCF groeit en lijkt in zijn omvang onbeheersbaar te worden en de roep op Rijksniveau het fonds af te schaffen, of het instellen van een plafond, groeit. Uiteindelijk is een plafond afgesproken, maar de praktische regelingen worden niet ongedaan gemaakt. Het zou het Rijk sieren dat dit oneigenlijke gebruik van het fonds wordt gestaakt en een juiste uitnutting voor de gemeenten wordt bewerkstelligd.

Wilt u meer weten over de micro en/of macro-effecten van het BCF kunt u contact opnemen met Henk Zuidersma of ons secretariaat via 072-5350525 of stuur een e-mail naar info@efkbelastingadviseurs.nl.