Gemeente handelt niet als overheid bij levering van schoolgebouw

Gemeente handelt niet als overheid bij levering van schoolgebouw

Een gemeente levert een Lokaal Onderwijscentrum aan een stichting die het gebouw verhuurt aan twee scholen voor voortgezet onderwijs en het regionaal opleidingscentrum ROC. De koopsom is 25% van de stichtingskosten. Volgens rechtbank Den Haag treedt de gemeente op als btw-ondernemer en kan zij de btw op de stichtingskosten verrekenen als voorbelasting.

De uitspraak van rechtbank Den Haag sluit aan op de inmiddels lange rij van uitspraken over schoolstructuren. Omdat de gemeente met de stichting een privaatrechtelijke overeenkomst heeft gesloten voor de levering van het gebouw, concludeert de rechtbank dat de gemeente niet optreed als overheid. Daarvoor haalt zij het arrest van het Hof van Justitie inzake Carpaneto Piacentino aan waarin het Hof overwoog dat een publiekrechtelijk lichaam als overheid handelt als zij dat doet in het kader van het voor haar geldende specifiek juridisch regime. Als de gemeente handelt onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere subjecten, wordt zij niet geacht haar activiteiten als overheid te verrichten. Het is niet van belang dat de gemeente de overeenkomst met de stichting heeft gesloten om daarmee uitvoering te geven aan de door de wetgever opgedragen taak in het kader van de schoolhuisvesting.

De inspecteur brengt alles in stelling om te voorkomen dat de gemeente de btw op de bouwkosten als voorbelasting in aftrek kan brengen waardoor zij een aanzienlijke belastingbesparing kan realiseren. Zo stelt de inspecteur dat de overeenkomst met de stichting moet worden geduid als het om niet ter beschikking stellen van een schoolgebouw aan de scholen en btw-vrijgestelde verhuur aan het ROC, waardoor aftrek van voorbelasting is uitgesloten. Voorts stelt de inspecteur dat de stichting niet de feitelijke macht om over het gebouw te beschikken als eigenaar heeft gekregen, waardoor geen sprake is van een levering. Ook zou de koopsom geen vergoeding voor de levering vormen en niet moeten worden gezien als een bijdrage van de onderwijsinstellingen in de stichtingskosten van het gebouw. Omdat de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) de gemeente verplicht huisvesting ter beschikking te stellen, zou sprake zijn van schijnhandelingen. Ook zou sprake zijn van misbruik van recht omdat het wezenlijke doel van de structuur het behalen van een belastingvoordeel zou zijn.

De rechtbank weerlegt alle door de inspecteur aangedragen stellingen onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad van 29 juni 2012 en 25 april 2014. Hierin overweegt de Hoge Raad dat de WVO de mogelijkheid biedt de eigendom van een schoolgebouw over te dragen aan het bevoegde gezag. Een dergelijke overdracht vormt geen misbruik van recht, ook niet als de school wordt overgedragen aan een gelieerde stichting in plaats van het bevoegde gezag. De gemeente heeft het recht haar activiteiten zodanig te structureren dat de omvang van de belastingdruk zo beperkt mogelijk blijft. In deze zaak zijn geen feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld dan in de genoemde uitspraken.

De lange rij van uitspraken over scholenstructuren geeft aan dat de Belastingdienst zich niet neerlegt bij de toepassing daarvan. Hoewel in deze structuur 6% strafheffing overdrachtsbelasting is verschuldigd over de kosten inclusief btw, ontstaat nog steeds een substantiële belastingbesparing.

Wilt u meer informatie ontvangen over de toepassing van deze structuur? Neemt u contact op met mr. Frans van den Eijnden via email info@efkbelastingadviseurs.nl of 072 5350525.