Gelegenheid geven tot sportbeoefening, Kamervragen

Gelegenheid geven tot sportbeoefening, Kamervragen

De minister van VWS heeft de Tweede Kamer op 23 november 2015 een brief gestuurd over een onderzoek naar de uitgaven voor sport door gemeenten. Wij hebben u hierover geïnformeerd in onze nieuwsbrief 2015, nr. 11. Naar aanleiding daarvan zijn vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën over de inhoud van de Nederlandse sportvrijstelling en de fricties die bestaan met de Europese regelgeving. De verwachting is dat de kosten fors zullen stijgen als Nederland de wetgeving aanpast aan de Europese regels. En een stijging van kosten komt de sportieve prestaties van de Nederlanders niet ten goede.

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Financiën over de brief inzake de juridische en financiële analyse bij de verruiming van de  btw-sportvrijstelling. De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 15 april 2016 <klik hier>.

Bij de beantwoording gaat de staatssecretaris in op de huidige praktijk waarbij gemeenten veelal de btw op de kosten van een sportcomplex, waaronder de kosten van aanleg, op aangifte verrekenen. Dit is mogelijk doordat in de Nederlandse wetgeving het geven van gelegenheid tot sportbeoefening onder het verlaagde tarief valt. Reeds geruime tijd stelt de staatssecretaris van Financiën dat Nederland op het gebied van sport de Europese richtlijn niet correct, maar te eng heeft geïmplementeerd. De btw-vrijstelling zou ruimer moeten worden toegepast, hetgeen volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 december 2013, zaak C-495/12 (Bridport). Voor toepassing van de Europese btw-sportvrijstelling mag geen onderscheid worden gemaakt tussen prestaties aan leden en prestaties aan niet-leden. De Nederlandse btw-sportvrijstelling is te beperkt, omdat die laatste vrijstelling alleen geldt voor prestaties aan leden. Maar dat is niet het enige. In de Europese vrijstelling gaat het in zijn algemeenheid om diensten van instellingen die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding. Daarvan is sprake als de diensten onontbeerlijk zijn voor het verrichten van die (sport)diensten. In het Bridport-arrest ging het om het verlenen van het recht op gebruik van een golfterrein. Het Hof van Justitie van de EU oordeelt daarin dat in ieder geval het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie nauw samenhangt met de beoefening van sport en onontbeerlijk is voor die beoefening. Dat betekent dat een vrijstelling van toepassing is en geen recht op verrekening van btw bestaat.

Aanpassing van de Nederlandse wet aan de Europeze richtlijn impliceert dat gemeenten veel hogere kosten krijgen doordat de btw niet meer mag worden verrekend. Weliswaar zijn gemeenten in de huidige situatie btw verschuldigd over de vergoeding, maar deze staat veelal niet in verhouding tot de hoogte van de btw op de kosten. Omdat de gevolgen voor gemeenten groot zullen zijn, heeft de staatssecretaris aangegeven pas op termijn tot aanpassing van de Nederlandse wet over te gaan en hopelijk komt er een goede overgangsregeling. Het spreekt voor zich dat wij de ontwikkelingen nauw blijven volgen.

Omdat er hoe dan ook een wijziging aan zit te komen die niet in het voordeel van de gemeenten zal zijn, is het raadzaam reeds nu daarop te anticiperen. Wilt u weten hoe u dat kunt doen? Neemt u contact op met uw adviseur of met mr. Andrea Joore via info@efkbelastingadviseurs.nl of het secretariaat op 072-5350525.