Eindejaarstips en overzicht van nieuwe wetgeving voor de loonheffingen

Eindejaarstips en overzicht van nieuwe wetgeving voor de loonheffingen

In 2021 hebben op het gebied van de loonheffingen de nodige wijzigingen plaatsgevonden. Ook in het jaar 2022 zullen weer de nodige wijzigingen worden doorgevoerd. Dit kan zijn door wetswijzingen op basis van het Belastingplan 2022, maar ook op basis van de inmiddels geaccordeerde nieuwe cao voor gemeenten. Naar aanleiding daarvan zult u als werkgever mogelijk ook voor 2021 nog de nodige aanpassingen willen doorvoeren. In dit uitgebreide onderdeel van deze nieuwsbrief geven wij aan waarop u dient te letten.

1. Principe akkoord Cao Gemeenten en Cao SGO 2021 – 2022

Per 3 november 2021 is een principe akkoord Cao Gemeenten en Cao SGO bereikt, welke op zijn vroegst 27 januari 2022 wordt bekrachtigd. Naast een structurele loonverhoging gelden de volgende looncomponenten:

  • Eenmalige uitkering (2021) ad € 1.200 te verdelen in
    • Een corona onkostenvergoeding van € 300; en
    • Een uitkering van € 900.
  • Vanaf 1 januari 2022 ontvangen medewerkers een thuiswerkvergoeding van € 2,00 netto per dag.

Werkgevers die in 2021 collectieve bedragen hebben betaald in het kader van de corona, in de vorm van lokale thuiswerkvergoedingen, bonussen, toelagen, uitkeringen of gratificaties kunnen deze op de coronakostenvergoeding van € 300 in mindering brengen. Dit biedt de mogelijkheid de corona onkostenvergoeding die normaliter bruto loon is, gericht vrijgesteld uit te betalen (zie hierna in het hoofdstukken “Thuiswerkvergoeding” en “Internetvergoedingen 2021 en 2022”).

2. Reiskostenvergoeding
2.1 Reiskostenvergoeding 2021

Vaste reiskostenvergoeding

In juni 2020 is goedgekeurd dat bij een voor 13 maart 2020 onvoorwaardelijk toegekende vaste reiskostenvergoeding thuiswerkdagen mogen worden aangemerkt als reisdagen. Het gevolg hiervan is dat de gericht vrijgestelde vaste reiskostenvergoeding zoals berekend op basis van de zogenaamde 214 dagenregeling in stand kan/kon blijven. De goedkeuring is in de jaren 2020 en 2021 diverse malen met periodes van gemiddeld drie maanden verlengd. Per 31 december 2021 loopt de goedkeuring definitief af. Dit betekent dus dat de werkgever nog het gehele jaar 2021 de vaste reiskostenvergoeding gericht vrijgesteld kunt betalen, indien medewerkers hierop nog een onvoorwaardelijk recht hebben.

Uitruil reiskostenvergoeding

De goedkeuring geldt ook voor een voor 13 maart 2020 onvoorwaardelijk toegekend recht de reiskostenvergoeding uit te ruilen. Opgemerkt wordt dat de Belastingdienst met betrekking tot de uitruil van de reiskostenvergoeding het standpunt inneemt dat van een onvoorwaardelijk recht geen sprake is indien de werknemer na 12 maart 2020 nog een handeling dient te verrichten om de uitruil te effectueren. Tegen dit door de Belastingdienst ingenomen standpunt wordt geprocedeerd. De uitkomst hiervan is onzeker. Overwogen kan worden in de situaties dat de werknemer voor 13 maart 2020 heeft gekozen voor uitruil ook in 2021 de uitruil over de thuiswerkdagen toe te passen. Wij wijzen erop dat indien de Belastingdienst door de rechtelijke macht in het gelijk wordt gesteld de reiskostenvergoeding over de thuiswerkdagen niet gericht is vrijgesteld. De vergoeding komt dan ten laste van de vrije ruimte. Dit levert geen problemen op als nog voldoende vrije ruimte aanwezig is, maarbij overschrijding hiervan is de werkgever over de vergoeding alsnog 80% eindheffing verschuldigd.

Het spreekt overigens vanzelf dat in de jaren 2020 en 2021 de reiskosten in alle gevallen over de werkelijke reisdagen vergoed en uitgeruild kunnen worden. Wel is van belang dat in dat geval de medewerker kan aantonen op welke dagen hij naar zijn arbeidsplaats heeft gereisd.

Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat met betrekking tot dienstreizen eveneens een gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding kan worden betaald van € 0,19 per kilometer. In het geval de vergoeding meer bedraagt dat € 0,19 per kilometer vormt het meerdere loon dan wel komt, mits aangewezen als eindheffingsloon, ten laste van de vrije ruimte.

2.2 Reiskostenvergoeding 2022 

In het Belastingplan 2022 is voorgesteld een regeling in te voeren voor de thuiswerkvergoeding. In samenhang daarmee zal ook de gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding worden aangepast. De voorgestelde regeling werkt als volgt. Naar verwachting zullen medewerkers in 2022 structureel één of meer dagen thuis werken en de resterende dagen structureel naar kantoor gaan. Nieuw is dat bij structureel thuiswerken de 214 dagenregeling pro rata wordt toegepast, zowel over de reiskostenvergoeding als over de thuiswerkvergoeding.

Stel dat de werkgever en de medewerker met een vijfdaagse werkweek overeenkomen dat de medewerker structureel drie dagen per week naar kantoor komt en twee dagen per week thuis werkt. De vaste reiskostenvergoeding mag dan worden berekend over 3/5 maal 214 reisdagen indien op ten minste 3/5 maal 128 dagen feitelijk naar kantoor wordt gereisd. In dat geval mag de vaste thuiswerkvergoeding worden berekend over 2/5 maal 214 dagen indien op ten minste 2/5 maal 128 dagen feitelijk thuis wordt gewerkt. Volledigheidshalve merken wij op dat over eenzelfde dag niet de vaste reiskostenvergoeding en de vaste thuiswerkvergoeding mag worden betaald. Toegestaan is te kiezen voor de hoogste van de twee.

Wij geven werkgevers in overweging voor 1 januari 2022 een regeling op te stellen waarin met het bovenstaande rekening wordt gehouden.

3. Thuiswerkvergoeding
3.1 Thuiswerkvergoeding 2021

Tijdens de op 2 november 2021 gehouden persconferentie is wederom het dringende advies gegeven zoveel mogelijk thuis te werken. Medewerkers die na de zomer weer naar kantoor gingen, zullen tijdens de laatste maanden van het jaar veelal weer thuis werken. Werkgevers kunnen de kosten die het thuis werken met zich brengt vergoeden. Volgens het Nibud bedragen de extra kosten € 2,00 per dag voor water, elektriciteit, verwarming, koffie, thee en toiletpapier. Aangezien de werkruimte thuis in de regel niet kwalificeert als een werkplek (d.w.z. de werkgever Arbo verantwoordelijk is), is deze vergoeding niet gericht vrijgesteld, maar komt deze in 2021 ten laste van de vrije ruimte. Indien daarentegen de thuiswerkvergoeding bestemd is voor de kosten van de internetverbinding thuis is deze als wordt voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium wel gericht vrijgesteld. Zie hierna in het hoofdstuk “Internetvergoeding 2021 en 2022”.

In de nieuwe cao gemeenten is overeengekomen dat de medewerkers over het jaar 2021 een eenmalige uitkering krijgen van € 1.200, waarvan € 300 ziet op een corona onkostenvergoeding. Werkgevers die in 2021 collectieve bedragen hebben betaald in het kader van corona mogen deze vergoeding met de eenmalige uitkering ad € 300 verrekenen.

3.2 Thuiswerkvergoeding 2022

Met ingang van 1 januari 2022 kan een thuiswerkvergoeding van € 2 per thuiswerkdag gericht vrijgesteld worden betaald. Net als de reiskostenvergoeding 2022 kan de thuiswerkvergoeding ook worden verstrekt als een vaste maandelijkse vergoeding. Voor de berekening van de vaste vergoeding kan eveneens gebruik worden gemaakt van de 214 dagenregeling. Voor een medewerker met een vast contract voor een vijf daagse werkweek die structureel twee dagen per week thuis werkt, wordt de vergoeding berekend over 2/5 maal 214 dagen indien de medewerker op ten minste 2/5 maal 128 dagen thuis heeft gewerkt. Rekenkundig is dat als volgt:

  • Maandelijkse thuiswerkvergoeding bedraagt 2/5 maal 214 maal € 2,00 gedeeld door 12.

Indien u als werkgever voornemens bent een dergelijke vergoeding in te voeren kunnen wij u van dienst zijn bij het opstellen van een regeling.

Voor sommige werkgevers, bijvoorbeeld gemeenten en waterschappen, is een thuiswerkvergoeding van € 2 respectievelijk € 3 opgenomen in de cao (zie ook hierna onder “Internetvergoeding 2021 en 2022”).

4. Internetvergoeding

Indien naar het oordeel van de werkgever het hebben van een internetaansluiting thuis noodzakelijk is voor de behoorlijke uitoefening van de dienstbetrekking is de vergoeding/verstrekking van het internet thuis gericht vrijgesteld. Aangezien in casu het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is, kan hiervoor niet het IKB worden ingezet.

Internetvergoeding 2021

Voor 2021 is het (nog) mogelijk een gericht vrijgestelde internetvergoeding per thuiswerkdag te betalen. In het geval de werkgever een thuiswerkvergoeding heeft betaald voor extra kosten thuis, daaronder begrepen een vergoeding voor de kosten van het internet kan nog dit jaar een verzoek aan de Belastingdienst worden gedaan om (een deel van) de vergoeding als gericht vrijgesteld vergoeding aan te merken. Opgemerkt wordt dat formeel niet met terugwerkende kracht een vaste thuiswerkvergoeding per maand of per dag kan worden toegekend. Echter, in een kalenderjaar (2021) kunnen wel de werkelijke kosten van het internet vanaf 1 januari gericht vrijgesteld worden vergoed. Wij hebben positieve ervaringen om met de Belastingdienst een praktische regeling te treffen en geven u in overweging hierover contact met ons op te nemen. Gezien de korte tijd die resteert in 2021 moeten wij wel een kanttekening plaatsen of het (nog) haalbaar is om voor het jaar 2021 een regeling te treffen.

Internetvergoeding 2022

Ook in 2022 kan de internetvergoeding gericht vrijgesteld worden uitbetaald. Op basis van de Cao gemeenten zullen medewerkers een thuiswerkvergoeding mogen ontvangen van € 2,00 per thuiswerkdag. Niet benoemd zijn de kosten die hieronder vallen. Dit betekent dat gemeenten het standpunt kunnen innemen dat deze vergoeding wordt betaald voor de kosten van het internet thuis.

Fiscaal is het voordeel hiervan dat gemeenten naast de internetvergoeding ook een vergoeding kunnen geven voor de extra kosten voor het thuiswerken zoals berekend door het Nibud. De berekening vormt de basis voor de per 2022 gericht vrijgestelde thuiswerkvergoeding. Aangezien voor deze thuiswerkvergoeding het noodzakelijkheidscriterium niet geldt kan ter zake het IKB worden ingezet.

Wij kunnen van dienst zijn met het opstellen van een dergelijke regeling.

In onder andere cao Waterschappen is een thuiswerkvergoeding van € 3 per thuiswerkdag opgenomen. Deze thuiswerkvergoeding kan geheel gericht vrijgesteld worden vergoed door toepassing van gerichte vrijstelling voor thuiswerkkosten van € 2 en het resterende bedrag aan thuiswerkvergoeding te onderbouwen met kosten voor internet thuis. Uiteraard dient wel te worden voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium.

5. Diverse werkkostenregeling
5.1 Verruiming vrije ruimte werkkostenregeling

Vanwege de Covid 19 crisis is de vrije ruimte in de werkkostenregeling voor de jaren 2020 en 2021 verruimd. De uitbreiding van de vrije ruimte van 1,2% naar 1,7% over de eerste € 400.000 is verder verruimd naar 3%. Voor 2021 is de vrije ruimte over de loonsom boven de € 400.000 vastgesteld op 1,18%.

Voor het jaar 2022 geldt geen verruiming van de vrije ruimte. De vrije ruimte bedraagt in 2022 1,7 % over de eerste € 400.000 en over het meerdere 1,18%.

5.2 Gerichte vrijstelling scholingskosten

Met ingang van 2021 geldt ook bij loon uit een vroegere dienstbetrekking een gerichte vrijstelling voor scholingskosten. De verruiming geldt alleen voor scholingskosten als bedoeld in artikel 31a lid 2 onderdeel d van de Wet op de loonbelasting 1964, dus voor het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning (box 1). De vergoeding van de outplacementkosten zoals bedoeld in artikel 31a lid 2 onderdeel c van de Wet op de loonbelasting 1964 valt hier niet onder.

5.3 Versoepeling noodzakelijkheidscriterium

De Belastingdienst heeft haar standpunt dat voor het noodzakelijkheidscriterium vereist is dat de werkgever alle kosten van de noodzakelijke voorziening voor zijn rekening moet nemen, gewijzigd. De gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen is ook van toepassing als de medewerker een eigen bijdrage voor privégebruik verschuldigd is en/of een eigen bijdrage voor een duurdere uitvoering. Voor Arbo voorzieningen geldt overigens ook dat een eigen bijdrage voor een duurdere uitvoering niet afdoet aan de toepassing van de gerichte vrijstelling.

5.4 Einde-/nieuwjaarsfeest

Onderscheid dient te worden gemaakt tussen het organiseren van een einde-/nieuwjaarsfeest op of buiten de werkplek. In het kader van de Covid 19 crisis kan buiten de werkplek ook de werkruimte thuis zijn.

Buiten de werkplek

Een einde-/nieuwjaarsfeest heeft een (nagenoeg) uitsluitend consumptief karakter. In het geval een dergelijk feest buiten de werkplek plaatsvindt zal de factuurwaarde van het feest ten laste van de vrije ruimte komen.

Buiten de werkplek/in de werkruimte thuis

Het einde-/nieuwjaarsfeest kan plaatsvinden door middel van een livestream georganiseerd op de werkplek, die door de medewerkers onder het genot van bijvoorbeeld een door de werkgever verstrekte borrel box kan worden gevolgd in de werkruimte thuis. De waarde van de borrelbox valt ten laste van de vrije ruimte. De kosten van een livestream heeft afhankelijk van de locatie en het programma verschillende gevolgen voor de werkkostenregeling. Wij adviseren u graag over uw situatie.

Op de werkplek

Zoals bekend geldt voor consumpties verstrekt op de werkplek, de nihil waardering. Voor op de werkplek verstrekte maaltijden geldt een forfaitaire bijtelling ten laste van de vrije ruimte. Het is dus fiscaal voordeliger de feesten op de werkplek te organiseren. Het spreekt vanzelf dat daarbij de Covid 19 maatregelen in acht dienen te worden genomen.

5.5 Producten eigen bedrijf

In de regel zullen medewerkers van overheidsinstelling geen korting krijgen op producten eigen bedrijf. Een uitzondering hierop kan bijvoorbeeld zijn een korting op zwemlessen indien en voor zover gemeenten een zwembad exploiteren en ook de zwemlessen verzorgen. Gericht vrijgesteld is de korting voor zover:

  • Het product niet branchevreemd is;
  • De korting per product maximaal 20% bedraagt van de waarde van het product in het economische verkeer;
  • De korting per jaar niet meer bedraagt dan € 500.

6. Kerstpakket

Een kerstpakket vormt loon (in natura). De factuurwaarde van het kerstpakket welke wordt verstrekt aan medewerkers die op de loonlijst staan bij de werkgever mogen als eindheffingsloon worden aangewezen en in de vrije ruimte worden ondergebracht. Als aan oud medewerkers eenzelfde kerstpakket wordt verstrekt mag deze ook als eindheffingsloon worden aangewezen en ten laste van de vrije ruimte worden gebracht. Kerstpakketten die worden verstrekt aan ingehuurde arbeidskrachten (uitzendkrachten, zzp’ers) vallen niet onder de werkkostenregeling / ten laste van de vrije ruimte van de inlener/opdrachtgever, maar van de uitlener (werkgever). Veelal wordt de uitlener niet op de hoogte gebracht van het kerstpakket. In deze situatie dient het kerstpakket als inkomsten in de aangifte inkomstenbelasting te worden opgenomen. De inlener kan ervoor kiezen om de verschuldigde loon-/inkomstenbelasting voor haar rekening te nemen door toepassing van eindheffing op grond van artikel 32ab Wet op de loonbelasting. Hiertoe dient de uitlener schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger. Deze eindheffing bedraagt 45% voor geschenken met een waarde tot en met € 136 en 75% voor geschenken met een waarde van meer dan € 136.

7. (Bestel)auto van de zaak
7.1 Bijtelling privégebruik

Werkgevers die aan medewerkers een auto van de zaak ter beschikking stellen die zij ook voor privé doeleinden mogen gebruiken dienen hiervoor een fiscale bijtelling tot het loon te rekenen. De hoogte van de bijtelling is afhankelijk van de cataloguswaarde van de auto op het moment dat de auto op kenteken wordt gesteld en de CO2 uitstoot. Voor elektrische auto’s geldt dat de korting die op het algemene percentage van 22% mag worden toegepast jaarlijks afneemt evenals de cataloguswaarde waarover het lagere percentage van toepassing is (cap). Zie onderstaande staffel.

 2017/201820192020202120222023
Korting 18%18%14%10%6%6%
Cap€ 50.000€ 45.000€ 40.000€ 35.000€ 30.000

Gelet op de wijziging van de percentages, leidend tot een hogere bijtelling in 2022, is het voor de medewerker voordeliger nog dit jaar een elektrische (bestel)auto aan hem ter beschikking te stellen.

7.2 Verbod op privégebruik

Regelmatig komt het voor dat het de medewerkers is verboden dat in de auto van de zaak privé wordt gereden. Een dergelijk verbod, waarin onder andere een sanctie is opgenomen indien het verbod wordt overtreden, dient in een aanvulling op de arbeidsovereenkomst schriftelijk te worden vastgelegd. Ook dient de werkgever te toetsen of dit verbod wordt nageleefd. In de praktijk blijkt dat de documentatie hiervoor ernstig te kort schiet. Wij geven werkgevers in overweging dit te herstellen. Wij kunnen u hierbij van dienst zijn.

8. Regeling Vervroegd Uittreden   

Als het dienstverband met een medewerker voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt beëindigd en de werkgever een ontslaguitkering betaalt met als doel de periode tussen de ontslagdatum en de ingangsdatum van het pensioen te overbruggen, is sprake van een Regeling Vervroegd Uittreden (RVU). De werkgever is over de ontslaguitkering 52% pseudo eindheffing verschuldigd. Omdat niet in alle gevallen sprake is van een RVU, is het raadzaam bij de uitbetaling van een ontslaguitkering een fiscaal adviseur te raadplegen.

Met ingang van 1 januari 2021 is een RVU drempelvrijstelling ingevoerd, inhoudende dat over een bedrag van thans € 1.867 per maand de pseudo eindheffing niet is verschuldigd als het ontslag plaatsvindt 36 maanden of minder voor het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd.

De vrijstelling geldt ook als de medewerker in de 36 maandperiode vervroegd met pensioen gaat. De drempelvrijstelling geldt voor de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025. Voor de periode 1 januari 2026 tot en met 31 december 2028 geldt een uitloopperiode.

9. Pensioenrechten

Medewerkers zullen zijn aangesloten bij het ABP pensioenfonds. Het kan zijn dat de medewerkers een hiaat hebben in hun pensioenregeling, bijvoorbeeld omdat zij bij een vorige werkgever geen of een geringere pensioenregeling hadden. Zij kunnen bij het ABP informeren of zij nog een extra storting kunnen doen in hun pensioenpot en kunnen hiervoor het IKB aanspreken. Een extra storting in de pensioenvoorziening behoort niet tot het loon, zodat een deel van het brutoloon in de pensioenpot kan worden gestort. Toekomstige uitkeringen zijn uiteraard wel onderworpen aan de loonheffing. Aangezien de medewerker na het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd geen AOW premie meer betaalt levert dit per saldo een netto voordeel op voor de medewerker.

10. Vrijwilligersregeling

Publiekrechtelijke lichamen zoals gemeenten zijn van rechtswege Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI). Dit betekent dat personen die van de ANBI  als vrijwilliger uitsluitend vergoedingen en verstrekkingen ontvangen van ten hoogste € 180 per maand en ten hoogste € 1.800 per jaar niet kwalificeren als werknemers. Additioneel geldt een maximaal tarief per uur. Voor een vrijwilliger van 21 jaar en ouder is dat € 5,00 per uur. Voor een vrijwilliger tot 21 jaar is dat € 2,75 per uur. Let op, het gaat om zowel een vergoeding in geld als in natura. Als naast de vergoeding in geld ad € 180 per maand ook een waardebon van stel € 25 wordt gegeven, wordt het normbedrag overschreden en is de vrijwilligersregeling in het geheel niet van toepassing. Hetzelfde geldt indien de vrijwilliger over de eerste 9 maanden € 170 (oude maximum) krijgt en in maand 10 € 270 (€ 1.800 minus 9 maal € 170). Tot slot mogen naast de maximale forfaitaire vergoeding niet de werkelijke kosten worden vergoed. Uiteraard valt een vergoeding van de werkelijke kosten wel onder de vrijwilligersregeling zelfs als deze meer bedraagt dat de normbedragen.

Voor een vergoeding aan een vrijwilliger geldt niet de renseigneringsplicht van de IB 47 (zie hierna). De IB 47 is wel van toepassing als door het overschrijden van de normbedragen de vrijwilligersregeling niet van toepassing is.

11. Stembureauleden en de IB 47

Reeds in de jaren 90 van de vorige eeuw heeft het Gerechtshof Den Bosch bepaald dat leden van een stembureau niet in dienstbetrekking staan tot de gemeente. Dit geldt zowel voor burgers als voor medewerkers van de gemeente. Dit betekent niet dat leden van de stembureaus over de vergoeding geen belasting hoeven te betalen. Voor hen vormt de vergoeding resultaat uit overige werkzaamheden, die zij dienen aan te geven in hun aangifte inkomstenbelasting.

De gemeente heeft als verstrekker van de vergoeding ook een taak. Gebaseerd op artikel 47 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen dient eenieder desgevraagd aan de Belastingdienst gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Bedoelde vraag is opgenomen in het Handboek loonheffingen. Tot 2022 is de verstrekker weliswaar verplicht de informatie te verstrekken, maar dit mag ook zonder vermelding van het BSN nummer van de ontvanger. Het gevolg hiervan is dat de Belastingdienst de informatie niet effectief kan verwerken.

Met ingang van 2022 wordt de renseigneringsverplichting gewijzigd.

De nieuwe regeling houdt in dat indien een inhoudingsplichtige, in dit geval de gemeente, een betaling doet aan een natuurlijk persoon voor werkzaamheden en diensten verricht voor de inhoudingsplichtige ook de persoonsgegevens ter identificatie en verificatie van de gerechtigde tot de betaling dient te verstrekken. Het gaat dan om de naam, het adres en de geboortedatum.

12. Personeelsdossiers
12.1 Geldig identificatiebewijs

In de administratie dient van iedere medewerker een geldig identiteitsbewijs aanwezig te zijn. Gelet op de bewaarplicht (zie hierna) dient de werkgever deze bewijzen te bewaren tot en met vijf jaar na de beëindiging van de dienstbetrekking. Met name dit laatste wordt weleens vergeten. Geadviseerd wordt dan ook regelmatig steekproefsgewijs te checken of van iedere (ex) medewerker geldige identiteitsbewijzen zijn. Indien geen geldig identiteitsbewijs aanwezig is dient het anoniementarief van 52% belastingheffing te worden toegepast. Let op een rijbewijs kwalificeert niet als een geldig identiteitsbewijs.

12.2 Opgaaf voor de loonheffingen

In de administratie dient ook van iedere medewerker een opgaaf voor de loonheffingen aanwezig te zijn. De opgaaf is vormvrij, maar geadviseerd wordt het door de Belastingdienst gepubliceerde voorbeeld te hanteren. Ontbreekt de opgaaf mag de werkgever niet de heffingskortingen toepassen. Ook hier geldt het advies de aanwezigheid van de opgaaf in het dossier regelmatig steekproefsgewijs te controleren.

12.3 Bewaarplicht

Werkgevers zijn verplicht hun administratie zeven jaar te bewaren. Let op voor de loonbelasting betekent dit dat persoonsgegevens zeven jaar na de beëindiging van de dienstbetrekking dienen te worden bewaard.

Heeft u vragen over deze uitgebreide bijdrage neemt u dan gerust contact op met Ilse Coorengel via ons secretariaat 072-535525 of mobiel 06-18903565, of mailt u naar icoorengel@efkbelastingadviseurs.nl