Belastingdienst geeft interne visie op clustering prijs

Belastingdienst geeft interne visie op clustering prijs

Naar aanleiding van een WOB-verzoek heeft de Belastingdienst het interne beleid gepubliceerd over de clustering van activiteiten. Concrete handvatten voor de praktijk bevat het stuk niet. Het beleid illustreert nogmaals dat clustering een open norm is waarvan de uitkomsten sterk afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden. De belangen zijn echter groot.

Inleiding

Het verschil kan groot zijn of de winstgevende verhuur van kluisjes een zelfstandige activiteit is of onderdeel uitmaakt van de verlieslatende zwembadactiviteiten. Of dat de winstgevende begraafplaats te X een zelfstandige onderneming vormt of onderdeel uitmaakt van een cluster met de verlieslatende begraafplaats te Y in dezelfde gemeente. Clustering is een open norm met veelal een bandbreedte aan denkbare en pleitbare uitkomsten. Wij verwachten daarom veel discussies met de Belastingdienst over dit onderwerp. Ongeacht of een gemeente wel of niet aangifte van te betalen vennootschapsbelasting heeft gedaan. Sterker nog, juist bij die gemeenten die geen aangifte van belastbare activiteiten doen, zou de Belastingdienst wel eens extra kritisch naar de clustering kunnen kijken. Het goed vastleggen en documenteren van de eigen bevindingen per belastingjaar is onontbeerlijk.

De discussie over clustering neemt soms een verwarrende vorm aan. Onze visie is dat bij het bepalen van het ondernemerschap een aantal stappen gezet moet worden.

Allereerst moet bepaald worden of sprake is van een zelfstandige activiteit. Sommige activiteiten zijn niet zelfstandig, maar hangen samen met een hoofdactiviteit. In de parlementaire behandeling is beschreven dat verhuur van kluisjes in een zwembad geen zelfstandige activiteit is. De Belastingdienst verwijst in haar beleid naar een uitspraak over een museumwinkel als zelfstandige activiteit. Bij het beoordelen van de zelfstandigheid zal in eerste instantie worden gekeken of een activiteit onlosmakelijk verbonden is met een hoofdactiviteit. Als de supermarkt wettelijk verplicht is om lege flessen in te nemen dan is er geen sprake van een zelfstandige activiteit. Op een vergelijkbare manier kan worden gekeken naar de afvoer van huisvuil. Als de gemeente huisvuil ophaalt, dan kan zij dit vuil niet op het dorpsplein neerleggen. Zij moet het dus afvoeren. Als zij dan voor bepaalde bestanddelen, zoals oud papier of plastic, een vergoeding ontvangt is geen sprake van een zelfstandige activiteit. Als een activiteit niet onlosmakelijk samenhangt met een andere activiteit, zal de vraag naar zelfstandigheid een meer feitelijk karakter gaan krijgen. Hierbij is van belang of de activiteit als zelfstandige activiteit door derden wordt uitgevoerd of dat sprake is van een incidenteel karakter. Winkels zijn er in alle soorten en maten, dus een museumwinkel is snel zelfstandig. Kluisjes in een zwembad, plakken van stickers op een auto en aanbrengen van reclameborden op lantarenpalen zullen in de regel geen zelfstandige activiteit zijn. Een punt van discussie kan ook zijn of het verstrekken van leningen aan personeel een zelfstandige activiteit is of dat sprake is van een arbeidsvoorwaarde (die als deel van de loonsom moet worden gezien).

De volgende stap is om te bepalen of de zelfstandige activiteit geclusterd moet worden met andere zelfstandige activiteiten. Worden activiteiten, die zelfstandig kunnen worden uitgevoerd, door één organisatie van kapitaal en arbeid uitgevoerd? Als dat het geval is dan zouden zij mogelijk moeten worden geclusterd, ook al zijn de activiteiten in fysieke zin verspreid. Deze vraag speelt bijvoorbeeld bij parkeren, begraven en sporten. Als dezelfde ploeg mensen bijvoorbeeld het beheer van een aantal begraafplaatsen verzorgd, lijkt het voor de hand te liggen deze activiteiten te clusteren.

Als laatste stap dient de winstgevendheid te worden bepaald van een cluster van activiteiten. Hier speelt de vraag hoe de winst wordt bepaald indien de activiteit zich richt op zowel derden  als op de gemeente. Dus stel dat de gemeente een deel van de parkeerplaatsen in de garage om niet gebruikt voor het stallen van de dienstauto van de burgemeester. Bij de vraag of de activiteit winstgevend is, zal aan het eigen gebruik door de gemeente een integrale kostprijs dienen te worden toegerekend.

Hoe nu verder?

Dat de Belastingdienst de andere kant van de bandbreedte opzoekt wordt bevestigd in het interne beleid. In die zin verandert de visie van de Belastingdienst dan ook niets aan de dagelijkse praktijk en de standpunten die tot heden – al dan niet in samenspraak met uw adviseur – zijn ingenomen. Pas als de Belastingdienst concreet bij uw gemeente komt controleren wordt het actueel en zal de discussie losbarsten. Het is wel van belang te realiseren dat de Belastingdienst de aangifte 2016 pas komt controleren als u bijvoorbeeld reeds met de aangifte 2018 bezig bent. Daarom is het goed vastleggen van de clustering – per jaar – van groot belang.

Mocht u vragen hebben, aarzel dan niet contact op te nemen met ons secretariaat via info@efkbelastingadviseurs.nl of 072 5350525.