Belangrijke wijzigingen per 1 januari 2021

Belangrijke wijzigingen per 1 januari 2021

Op Prinsjesdag is een aantal wijzigingen aangekondigd voor 2021. Tevens worden in 2021 mogelijk wijzigingen van kracht die al eerder zijn aangekondigd, zoals de gedeeltelijke vrijstelling voor de RVU. De voor de loonbelasting belangrijkste wijzigingen benoemen wij in deze bijdrage.

Werkkostenregeling

Studiekostenvergoeding

De vergoedingen en verstrekkingen van studiekosten als bedoeld in artikel 31a lid 2 onderdeel c en d van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna Wet LB) zijn gericht vrijgesteld. De vrijstelling geldt uitsluitend indien de medewerker loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet. Voorgesteld wordt vergoedingen en verstrekkingen ter zake van het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen, als bedoeld in artikel 31a lid 2 onderdeel d van de Wet LB ook gericht vrij te stellen, indien sprake is van loon uit vroegere dienstbetrekking. Vergoedingen en verstrekkingen voor onderhoud en verbetering van kennis en vaardigheden, als bedoeld in artikel 31a lid 2 onderdeel c van de Wet LB vallen niet onder de uitgebreide gerichte vrijstelling. Dit betekent expliciet dat de vergoeding of verstrekking van outplacementkosten bij loon uit vroegere dienstbetrekking niet gericht is vrijgesteld, tenzij sprake is van een verstrekking die de werkgever verstrekt aan een of meer medewerkers met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren (artikel 31 lid 1 onderdeel g ten tweede van de Wet LB).

Wijziging hoogte vrije ruimte

Het percentage van de vrije ruimte is met ingang van 2020 verhoogd van 1,2% naar 1,7% over de eerste € 400.000. Vanwege de corona crisis is voor 2020 de 1,7% verhoogd naar 3%. Voorgesteld is dit laatste voor 2020 in een wet vast te leggen.

Met ingang van 2021 wordt het algemene percentage voor het deel van de loonsom boven € 400.000 verlaagd van 1,2% naar 1,18%. Met de vrijgekomen middelen wordt de hiervoor besproken verruiming van de gerichte vrijstelling voor bepaalde scholingskosten gefinancierd.

Wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen

Op 3 september 2020 is het Wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen aan de Tweede Kamer aangeboden. Dit wetsvoorstel maakt onderdeel uit van het Pensioenakkoord. Het kabinet werkt in dit wetsvoorstel drie van de gemaakte afspraken uit:

  1. meer keuzevrijheid bij de aanwending van pensioen (bedrag ineens);
  2. meer keuzemogelijkheden voor eerder uittreden (versoepeling van de RVU-heffing); en
  3. meer fiscale ruimte om verlof te sparen voor vervroegd uittreden (verlofsparen).

Bedrag ineens

Het wetsvoorstel biedt aan deelnemers aan een pensioenregeling de keuze maximaal 10% van het ouderdomspensioen af te kopen op de pensioeningangsdatum. De gedeeltelijke afkoop kan niet samengaan met de hoog-laagconstructie, de pensioenuitkeringen kunnen dus niet variëren. Echter, mag door de afkoop de resterende levenslange pensioenuitkering niet beneden de afkoopgrens voor kleine pensioenen komen te liggen. Tot slot is van belang dat voor de afkoop de deelnemer toestemming nodig heeft van de partner die begunstigd is voor het partnerpensioen. Naar verwachting zal dit voorstel ingaan op 1 januari 2022.

Versoepeling van de RVU-heffing

Veelal zijn oudere werknemers door het versnellen van de verhoging van de AOW-leeftijd overvallen. Om deze werknemers de mogelijkheid te bieden gezond met pensioen te kunnen gaan, krijgt de werknemer tijdelijk meer mogelijkheden eerder te stoppen met werken, zonder dat dit leidt tot een RVU-heffing voor de werkgever. Voorgesteld wordt dat:

  • Werkgevers de werknemers die binnen drie jaar de AOW-leeftijd bereiken een RVU vrijgestelde uitkering te betalen bij uittreding van € 1.767 per maand. Over het gedeelte van het bedrag dat boven de vrijstelling uitkomt, zal de werkgever RVU-heffing moeten afdragen
  • De voorgestelde versoepeling geldt gedurende de jaren 2021 tot en met 2025. Indien een RVU uiterlijk op 31 december 2025 schriftelijk is overeengekomen, kunnen op basis van overgangsrecht onder voorwaarden nog uitkeringen worden gedaan in de jaren 2026 tot en met 2028.
  • In bijgevoegde memorie van toelichting <klik hier> is op de pagina’s 15 tot en met 18 de Uitwerking van de versoepeling plus een aantal rekenvoorbeelden opgenomen.

Wanneer de werkgever eerder dan drie jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd een vergoeding uitbetaalt, is de reguliere RVU-heffing verschuldigd.

Verlofsparen

Op dit moment kan een werknemer maximaal vijftig maal het aantal werkdagen per week fiscaal gefaciliteerd verlof sparen. Deze fiscale grens zal worden verhoogd naar honderd maal het aantal werkdagen per week. Het opgebouwde verlof kan dan bijvoorbeeld worden ingezet om een aantal jaar voor de pensioenleeftijd geheel of gedeeltelijk minder te gaan werken of om tijdens de loopbaan een periode vrij te nemen, een en ander uiteraard met behoud van salaris.

Overgangsregeling levensloop

Per 1 januari 2012 is de levensloopregeling in beginsel komen te vervallen en is in de Wet LB overgangsrecht opgenomen. Het overgangsrecht eindigt per 31 december 2021. Op dat moment nog niet als loon in aanmerking genomen levensloopaanspraken zijn dan in 2021 belast tegen de waarde in het economische verkeer. Volgens huidige inzichten leidt dit overgangsrecht tot praktische bezwaren op het gebied van het doen van de aangifte loonheffingen en de box 3‑heffing over de waarde van de levensloopregeling.

Omdat bij veel (ex-)werkgevers relevante informatie voor een juiste inhouding en afdracht van loonheffingen over het levenslooploon ontbreekt, is het vaak niet mogelijk om een correcte en tijdige aangifte loonheffingen te doen. Om dit probleem op te lossen, wordt voorgesteld om de instelling die de levensloopregeling uitvoert als inhoudingsplichtige aan te wijzen. De instelling beschikt immers wel over de benodigde informatie voor een juiste inhouding en afdracht van loonheffingen om een correcte en tijdige aangifte loonheffingen te doen.

Een ander praktisch bezwaar is de heffing voor box 3 per 1 januari 2022. Als gevolg van een fictieve vervreemding op 31 december 2021 zal het verhaal van de verschuldigde loonheffing pas plaatsvinden na 1 januari 2022, waardoor de box 3‑belasting voor 2022 de facto uit zal gaan van de waarde van de levensloopaanspraak voor de inhouding van loonheffing. Om dit te voorkomen is het fictieve genietingsmoment gewijzigd naar 1 november 2021. Op deze manier kan de verschuldigde loonheffing worden ingehouden op het levenslooploon zonder impact voor box 3.

Tot en met 31 oktober 2021 is het mogelijk om de waarde van de levensloopaanspraak regulier op te nemen. In dat geval zal de waarde van de levensloopaanspraak tot het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking worden gerekend. Op het moment van de fictieve vervreemding zal de waarde van de levensloopaanspraak ook tot het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking worden gerekend, tenzij de werknemer aan het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Bij deze werknemers zal de aanspraak als loon uit vroegere dienstbetrekking worden aangemerkt. Bij de uitbetaling van het levenslooptegoed is de tabel bijzondere beloningen van toepassing.

Mocht je vragen hebben, neem dan contact op met ons kantoor info@ekfbelastingadviseurs.nl of per telefoon 072 – 5350525, dan wel met Ton van der Fits (06-36118572).