BBV grondnotitie en VPB, hand in hand?

BBV grondnotitie en VPB, hand in hand?

Op 16 maart 2016 is de notitie grondexploitaties 2016 van de commissie BBV gepubliceerd. In onze vorige nieuwsbrief zijn wij al op een aantal punten van de notitie ingegaan. Echter gelet op het feit dat de meeste gemeenten alleen voor het grondbedrijf met de VPB worden geconfronteerd gaan wij graag in op nog een aantal zaken uit de notitie en dan vooral op hoofdstuk 6. 

Het eerste dat daarbij opvalt is dat de BBV-regels op een aantal terreinen richting de VPB opschuiven. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de gewijzigde regelgeving omtrent de toerekening van rentelasten bij de grondexploitaties. Fiscaal mogen alleen rentelasten die voortkomen uit vreemd vermogen in aanmerking worden genomen. Kosten van eigen vermogen kunnen fiscaal nooit in mindering worden gebracht op het resultaat. Deze benadering vanuit het BBV is bruikbaar voor de fiscale resultaatbepaling.

Eigen en vreemd vermogen

De hoogte van het fiscaal in aanmerking te nemen eigen en vreemd vermogen is afhankelijk van de waardering aan de activazijde. De toerekening van het eigen en vreemd vermogen zal worden afgeleid van de financieringsverhouding van de gemeente, alhoewel niet is uit te sluiten dat hierop nog fiscale aanpassingen dienen plaats te vinden. Wel is zeker dat fiscaal de waardering van de activa hoger zal zijn dan op de BBV-balans. Het fiscaal toe te rekenen vreemd vermogen met bijbehorende rentelasten zal dan ook zeker niet gelijk zijn aan de BBV-lasten.

Kostentoerekening

Een ander belangrijk punt qua gelijkheid tussen het BBV en de fiscaliteit is de opmerking dat de Belastingdienst de kostensoortenlijst uit het Besluit ruimtelijke ordening hanteert als zijnde toerekenbare kosten voor de VPB. Een duidelijk en praktisch toepasbaar handvat.

Winst bepalen

Niet alle regels zijn geheel op elkaar afgestemd, waardoor het toch noodzakelijk blijft in een aantal situaties een fiscale ‘vertaalslag’ te maken. Een belangrijk verschil tussen de BBV- en fiscale regels is bijvoorbeeld gelegen in het moment van resultaatbepaling. Als fiscale hoofdregel geldt dat bij verkoop van een activum het resultaat wordt genomen op het moment van sluiten van de koopovereenkomst of uiterlijk op het moment van levering van het activum. Een gemeente dient derhalve uiterlijk op het moment van de levering van grondposities fiscaal een resultaat te verantwoorden.

De commissie BBV merkt de grondposities aan als zijnde ‘onderhanden werk’. Echter hetgeen fiscaal wordt beschouwd als zijnde ‘onderhanden werk’ is niet hetzelfde. Fiscaal is ‘onderhanden werk’ te omschrijven als werk dat in opdracht en voor rekening van derden wordt verricht. De voor de verkoop bestemde bouwkavels gelden fiscaal als voorraad. Het fiscale belang in het onderscheid tussen ‘onderhanden werk’ en ‘voorraad’ is gelegen in afwijkende balanswaarderingen en momenten van resultaat nemen.

Conclusie is dan ook dat de BBV-regels meer in lijn zijn gebracht met de fiscale regels, maar het is zeker nog niet zo dat fiscaal de gewijzigde regels één-op-één kunnen worden gevolgd. Voor de fiscale resultaatbepaling blijven de fiscale regels bepalend, een gemeente dient hier dan ook alert op te wezen!

Wilt u hierover meer weten? Neemt u dan contact op met mr. Jan Batterink via info@efkbelastingadviseurs.nl of het secretariaat op 072-5350525.