Afval en BTW (deel 5) – Proefprocedure?

Afval en BTW (deel 5) – Proefprocedure?

In de discussie of de bijdrage van het Afvalfonds (uitgezonderd de vergoeding voor zwerfafval) onderworpen dient te zijn aan de heffing van btw (standpunt Ministerie van Financiën), wordt door sommigen waarde toegekend aan een wijziging per 1 juli 2020. Maar zorgt die wijziging voor een wezenlijke verandering of wordt het procederen?

Per 1 juli 2020 treedt de implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen (KRA) in werking, Op grond van de nieuwe KRA dienen lidstaten onder andere te zorgen voor gescheiden inzameling van afvalstoffen. In Nederland wordt dit geregeld in het nieuwe Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen. De concepttekst van het Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen is voor een internetconsultatie gepubliceerd <klik hier>. Het document is voorzien van een toelichting en een artikelsgewijs commentaar. Lezen wij de inhoud goed dan concluderen wij dat het besluit gaat over het ‘gescheiden inzamelen’ en niet over de verplichting dat de gemeente huishoudelijk afval dient in te zamelen. Hiervoor is ook een verklaring te geven. Het uitgangspunt, de zorgplicht staat al in de Wet milieubeheer opgenomen, en die verandert niet. Voor de volledigheid vermelden wij hieronder het basisartikel 10.21:

Artikel 10.21

  1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.
  2. Groente-, fruit- en tuinafval wordt daarbij in ieder geval afzonderlijk ingezameld.
  3. De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Het nieuwe besluit dwingt gemeenten nog meer het afval te gaan scheiden. Het dwingende karakter van het meer scheiden neemt echter de wettelijk taak (het inzamelen van huishoudelijk afval) niet weg. Die wettelijke taak was er al en die zal er ook altijd wel blijven. Dit betekent dat wij niet verwachten dat het standpunt van het Ministerie van Financiën per 1 juli 2020 zal gaan wijzigen  Kortom de bestaande discussie blijft in volle omvang bestaan. Dit wordt in relatie tot het Afvalfonds ook nog eens versterkt door het artikelsgewijze commentaar op artikel 1. Daar lezen wij:

De verantwoordelijkheid en de verplichtingen voor producenten op wie een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing is, gelden tevens onverkort naast dit besluit. Indien een afvalstroom gescheiden moet worden ingezameld door een gemeente, betekent dit niet dat producenten geen verantwoordelijkheid meer hoeven te dragen voor, onder meer, de kosten van gescheiden inzameling voor zover dit bepaald is in nationale regelgeving op grond van artikel 9.5.2. van de Wet milieubeheer.

Dit betekent dat de verpakkingsindustrie is gehouden, ook na 1 juli 2020, een financiële bijdrage te betalen aan de gemeenten. Die vergoeding is door het Ministerie van Financiën geduid als een vergoeding voor een btw-belaste prestatie. Dit betekent dat na 1 juli 2020 dit standpunt – naar onze verwachting – zal worden gehandhaafd.

Gemeentelijke praktijk

Wat schieten gemeenten ermee op als zij vasthouden aan het principiële standpunt (dat ook het standpunt van EFK Belastingadviseurs is) dat sprake is van cofinanciering door de verpakkingsindustrie en dus geen prestatie door de gemeente als ondernemer wordt verricht?

In financieel opzicht lijkt er weinig te veranderen. Onder aan de streep mag de gemeente immers de toerekenbare btw nog steeds verrekenen (op aangifte in plaats van het BTW-compensatiefonds). De gemeente kan betogen dat haar tarieven dienen te dalen, omdat aftrekbare btw niet in het tarief mag worden opgenomen (compensabele btw wel) en dat de gemeente hierdoor een minder rekenkundig overschot behaalt (micro-effect). Hier staat tegenover dat de gemeente een iets hogere bijdrage uit het Gemeentefonds zullen ontvangen (macro-effect). De conclusie is dan ook dat eigenlijk alleen het Rijk geld overhoudt in de vorm van belastingrente. Vandaar het gebruik in eerste zin van deze alinea van het woordje “lijkt”. Maar een klein onderzoek bij een aantal gemeenten laat al gauw zien dat de renteschade per gemeente een kleine 20 K bedraagt over 5 jaar.

Een individuele gemeente zal op basis van de hiervoor besproken uitgangspunten veelal geen fiscale procedure gaan starten. Het lijkt niet aannemelijk dat de VNG afspraken gaat maken met het ministerie over een proefprocedure die van toepassing is voor alle gemeenten, dan wel zal streven een generieke regeling te bewerkstelligen dat voor gemeenten ontstane renteschade komt te vervallen.

Wij adviseren de gemeenten in beginsel in overleg te treden met de eigen inspecteur over:

  1. De ingangsdatum (wel of geen terugwerkende kracht mede in relatie tot HT-convenanten);
  2. Het vaststellen van een methodiek voor het berekenen van de aftrekbare btw vanwege de btw-belaste prestatie jegens het Afvalfonds (uitgezonderd de vergoeding voor het zwerfafval).

EFK Belastingadviseurs kan u in dit proces desgewenst ondersteunen of u ontzorgen. Neem daarvoor contact op met uw eigen EFK-adviseur (072-5350525) of stuur een mailbericht naar info@efkbelastingadviseurs.nl

 

Maar nu nog even iets anders….Procederen of niet?

EFK Belastingadviseurs is benieuwd of uw gemeente het standpunt van het Ministerie van Financiën onderschrijft of niet. Immers, als de vergoeding niet is belast met btw is ook geen belastingrente verschuldigd. Daarnaast zijn wij benieuwd of u eventueel bereid bent om mee te doen aan een (collectieve) proefprocedure. Daarom verzoeken wij u om de drie vragen voor 10 juni te beantwoorden.

De resultaten van de reacties zullen wij in onze volgende nieuwsbrief publiceren.

De drie vragen <klik hier>