Vrijgestelde verhuur van sportvelden of het sportbesluit toepassen?

Vrijgestelde verhuur van sportvelden of het sportbesluit toepassen?

Uitgangspunt bij het gelegenheid geven tot sportbeoefening is dat alle diensten op het gebied van sport zoveel mogelijk als één prestatie moeten worden beoordeeld. Soms wordt het te gortig en wordt een (scheids)rechter ingeschakeld voor een oordeel.

Inleiding

Recent heeft het Gerechtshof Amsterdam – als verwijzingshof – zich moeten buigen over een casus waarbij de Hoge Raad <klik hier> de opdracht had meegegeven te onderzoeken of sprake is van het gelegenheid geven tot sportbeoefening dan wel dat sprake is van vrijgestelde verhuur door een gemeente aan voetbalverenigingen. Het antwoord op die vraag is bepalend of de gemeente de aan haar in rekening gebrachte btw voor het beheer van het sportpark op aangifte in aftrek mag brengen.

Het hof heeft in haar uitspraak <klik hier> delen uit het verslag van het boekenonderzoek van de Belastingdienst bij de gemeente laten terugkomen evenals het verslag van het onderzoek dat de Belastingdienst heeft ingesteld bij de voetbalvereniging. Zoals later in de uitspraak blijkt heeft het hof dat niet voor niets gedaan.

De casus

De uitspraak gaat over een gemeente die twee sportparken exploiteert. De normale fiscale lijn bij het gelegenheid geven tot sportbeoefening is geweest (tot en met 2018) dat:

  1. Onroerende zaken (sportaccommodaties) ter beschikking worden gesteld;
  2. Toezicht en beheer wordt uitgeoefend door de exploitant;
  3. Bijkomende prestaties worden verricht op het gebied van sport.

Bij de meeste sportaccommodaties ligt deze lijn vast in de wijze waarop de exploitatie wordt vormgegeven. Met andere woorden, de contractuele werkelijkheid stemt overeen met de economische werkelijkheid. In de onderhavige casus ligt dit veel lastiger. Op sportpark 1 zijn vier van de acht sportvelden reeds in economisch eigendom bij de voetbalvereniging. Deze worden allereerst (terug) verhuurd aan de gemeente. Daarna sluit de gemeente met de voetbalvereniging:

  1. een detacheringsovereenkomst;
  2. een opdrachtovereenkomst tot beheer en onderhoud;
  3. een aanvullende opdrachtovereenkomst voor sportmateriaal, en
  4. een gebruikersovereenkomst.

Deze overeenkomsten worden ook voor sportpark 2 opgesteld.

Met de detacheringsovereenkomst huurt de gemeente een beheerder in die in dienst is bij de voetbalvereniging. Op grond van de overeenkomst voor het beheer en onderhoud koopt de gemeente de diensten in op het uitvoeren van werkzaamheden welke door de voetbalvereniging worden uitgevoerd. De gemeente stelt sportmateriaal ter beschikking (tot een bepaald maximum) dat zij inkoopt van de voetbalvereniging. De gemeente stelt zich, gezien al deze contractueel ingekochte zaken, op het standpunt dat haar diensten sinds 2005 onder het sportbesluit vallen.

Opmerkelijk is dat naast het ter beschikking stellen van velden (zie punt 1 hiervoor) alle extra’s worden ingekocht van de gebruiker/voetbalvereniging. Wij kunnen ons voorstellen dat de Belastingdienst een bezoekje brengt aan de voetbalvereniging om te vragen wat er zoal is veranderd sinds de gemeente het sportbesluit toepast. Het antwoord zal u niet verbazen: Er is sinds 2005 praktisch niets gewijzigd.

Dan is de toon gezet en wordt het oordeel van de rechter niet meer ingegeven door de contractuele werkelijkheid maar door de economische werkelijkheid (zie Hof van Justitie EG zaak Paul Newey, r.o. 44 en verder <klik hier>). Het gerechtshof concludeert dat nu de voetbalvereniging alles uitvoert, de gemeente naast het ter beschikking stellen van de accommodatie zelf niets doet en dat de prestatie zich beter laat duiden als een passieve verhuurdienst in plaats van een actieve andersoortige dienst welke gericht is op het faciliteren van de beoefening van sport door de mens.

De in het verweer van de gemeente gemaakte vergelijk met een (voor de gemeente gunstige) uitspraak van de Hoge Raad wordt afgedaan met de opmerking dat in die casus kleedaccommodaties en een bar ter beschikking worden gesteld, terwijl dat in deze situatie niet het geval is. Daarnaast zijn de diensten ingekocht bij een derde, niet zijnde de huurder. Inkoop van sport en spelmateriaal wordt eerder gezien als het ter beschikking stellen van een budget dan dat de gemeente daadwerkelijk sport- en spelmateriaal inkoopt. Alle overeenkomsten ten spijt, het hof concludeert dat de gemeente alleen passieve handelingen verricht en als er al handelingen worden verricht dan zijn het handelingen met het oog op het in standhouden van de zaak en niet het faciliteren van de gebruiker.

Gemeentelijke praktijk

Op het eerste gezicht zal het belang van deze zaak anno 2021 niet groot zijn. Als de gemeente voor de exploitatie van een onroerende zaak gebruik wil maken van ‘de andersoortige dienst’ / ‘verhuur-plus’, zal de gemeente een actieve houding hebben in te nemen en daarvoor ook personeel beschikbaar voor moeten hebben. Alles contractueel inkopen bij de huurder lijkt hiervoor niet meer voldoende te zijn.

Wilt u meer weten over sport na 2019 of wanneer een andersoortige btw-dienst met btw profijtelijker voor u kan werken, neem dan contact op met uw EFK-adviseur, Henk Zuidersma of ons secretariaat via 072-5350525 of stuur een mailbericht naar info@efkbelastingadviseurs.nl